Onderzoek

Barend Last is leraar basisonderwijs en onderwijsmaker en schreef diverse boeken voor zowel kinderen als volwassenen.

Alexander Smit is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoekt sociaal-digitale ongelijkheid en digitale inclusie onder mensen met beperkte basisvaardigheden.

Over de auteurs

33% van Nederlandse jongeren blijft achter op het gebied van digitale vaardigheden. Nog eens 24% komt niet verder dan basale computervaardigheden.

Op 30 september 2025 besteedde NTR Wetenschap aandacht aan de vraag: Hoe lossen we de leescrisis op? Barend Last schreef op LinkedIn een kritische reflectie over deze documentaire.

Cijfers versus context

De afgelopen jaren hebben verschillende internationale vergelijkingsonderzoeken een grote invloed gehad op hoe we in Nederland denken over het landelijke niveau van basisvaardigheden. Gemiddeld gezien presteert Nederland sterk, maar tegelijk worstelt een substantieel deel van de bevolking met taal-, reken- en digitale vaardigheden. Dit vraagt om een nadere analyse. Vooral omdat bibliotheken precies in die ruimte tussen score en ervaring opereren. In dit stuk proberen we daarom antwoord te geven op de volgende vragen: wat meten we, wat missen we en wat betekent dat voor bibliotheken?



Wat PISA, ICILS en PIAAC ons écht vertellen

Tekst: Alexander Smit & Barend Last(*) • Foto: Shutterstock • video: NTR WETENSCHAP

De ICILS-inzichten helpen bibliotheekmedewerkers bij het ontwerpen van gerichte workshops en cursussen. Naast het versterken van digitale basisvaardigheden kunnen deze activiteiten ook aandacht besteden aan mediawijsheid en het kritisch beoordelen van informatie, wat cruciale vaardigheden zijn in een tijd van toenemende des- en misinformatie. De kloof tussen beschikbare technologie en werkelijke digitale vaardigheden van jongeren onderstreept dat we een nieuwe aanpak nodig hebben, waarin bibliotheken een sleutelrol kunnen vervullen. Belangrijk is wel dat we dat doen met oog voor de sociale context waarin iemand zich bevindt, met oog voor de emotionele en zintuigelijke ervaring van de digitale wereld. Er zijn nou eenmaal mensen die bang zijn dat als ze op een verkeerd knopje klikken op een computer, het hele ding in hun gezicht ontploft. Voorkom dus een te instrumentele benadering.

PIAAC is de realitycheck: ook een land dat internationaal relatief sterk presteert, heeft een substantiële groep met lage basisvaardigheden. Wat PIAAC vooral leert: geletterdheid is geen vast gegeven maar een levenslang proces. Mensen ontwikkelen én verliezen vaardigheden gedurende hun hele leven, afhankelijk van gebruik en context. Een huisarts moet medische teksten begrijpen, een lasser de handleiding van een lasapparaat. En als je wasmachine kapotgaat, is het fijn als je zelf kunt uitzoeken hoe je het probleem oplost.

Dit sluit perfect aan bij de maatschappelijke opgave 'Leven Lang Ontwikkelen' waar bibliotheken voor staan. Als laagdrempelige leer- en ontmoetingsplek kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van basis- en digitale vaardigheden bij zowel volwassenen als ouderen. Waar PISA en ICILS aantonen dat er werk aan de winkel is bij jongeren, laat PIAAC zien dat dit werk doorloopt tot ver in de volwassenheid.

Ongelijkheid loopt als een ondertitel onder alle tabellen. Het antwoord daarop is geen morele paniek, maar programmatische precisie: ga waar de kwetsbaarheid woont; programmeer op het tijdstip dat past; koppel taal en digitaal aan échte doelen (een sollicitatie, een betalingsregeling, een schoolportaal). Cijfers worden menselijker zodra de context klopt.

Tot slot
Door samen te werken met scholen, welzijnsorganisaties en beleidsmakers kunnen bibliotheken bruggen slaan tussen onderzoek en praktijk. Concreet betekent dit: gezamenlijke projecten waarbij leesvaardigheid en digitale vaardigheden worden gecombineerd, zoals digitale storytelling workshops; outreach-activiteiten in wijken met veel gezinnen met lagere sociaaleconomische status; mediawijs-programma's die ouders en kinderen samen volgen; of leescommunities die zowel fysiek als online actief zijn. Ook het creëren van veilige experimenteerruimtes waar kinderen zonder prestatiedruk hun digitale en talige creativiteit kunnen ontdekken, past in deze benadering.

Kortom, de drie internationale onderzoeken vertellen niet slechts één verhaal, maar drie waarheden in verschillende tempi: de school (PISA), het digitale veld (ICILS), en het volwassen leven (PIAAC). Het werk voor bibliotheken zit precies in de frictie tussen die waarheden: daar waar een getal een mens wordt en een mens een volgende stap zet. We moeten minder verliefd zijn op de cijfers en meer geobsedeerd door wat mensen morgen kunnen doen: lezen, kiezen, meedoen. Dat is geen bijkomstigheid; dat ís de kern van de bibliotheekopgave. En die verdient oog voor complexiteit.

Referenties
PISA (2024) – The State of Learning. PISA 2022 Results. Volume I. OECD. Retrieved from: https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2023/12/pisa-2022-results-volume-i_76772a36/53f23881-en.pdf

ICILS (2025) – International Report: An International Perspective On Digital Literacy. Volume I. IEA. Retrieved from: https://www.iea.nl/publications/icils-2023-international-report

PIAAC (2024) – PIAAC Nationaal Rapport. PIAAC 2023 Resultaten. Kernvaardigheden van volwassenen. Retrieved from: https://open.overheid.nl/documenten/dpc-5c49f6ad10bf3755c261afda7a9fa7ecdbad316d/pdf

Lezen, wiskunde en wetenschap in het voortgezet onderwijs
We beginnen logischerwijs met PISA, het meest bekende internationale vergelijkingsonderzoek, dat bij verschijning vrijwel altijd een nationale stortvloed aan opiniestukken ontketent en flink wat stof doet opwaaien. PISA (Programme for International Student Assessment) meet om de drie jaar toepassingsgericht lezen, rekenen en natuurwetenschappen bij 15-jarigen in een schoolsituatie.

Wat zien we? Nederlandse jongeren doen het op het gebied van rekenen vanouds goed, al tonen de PISA-resultaten uit 2022 voor het eerst een opvallende achteruitgang. De coronapandemie en de schoolsluitingen hebben hier waarschijnlijk aan bijgedragen. Zorgwekkender is dat de leesvaardigheid al langere tijd onder het Europese gemiddelde ligt, wat vragen oproept over de manier waarop we leesonderwijs momenteel vormgeven.

Bij het interpreteren van deze resultaten is echter enige voorzichtigheid geboden. De gebruikte testmethode is weliswaar efficiënt, maar maakt het door steeds veranderende afnamecondities, zoals de overgang van papier naar digitaal en van vaste vragen naar adaptieve testvormen, lastig om resultaten over verschillende jaren te vergelijken. Ook spelen achtergrondkenmerken zoals socio-economische status en culturele factoren een belangrijke rol, maar komen deze in de algemene cijfers niet altijd voldoende tot uiting. Tot slot gaat het om een zogenoemde ‘low-stake’ test: er hangt niets van af, waardoor kinderen weinig gemotiveerd zijn om zich in te spannen voor de toets. Dit blijkt ook uit onderzoek van PISA zelf: in de tweede helft van de toets blijken sommige leerlingen te gaan gokken om er sneller vanaf te zijn.

Digitale geletterdheid onder jongeren
Na PISA is het tijd voor een ander belangrijk terrein: digitale vaardigheden. Het ICILS-onderzoek (International Computer and Information Literacy Study) meet computer- en informatiegeletterdheid én computationeel denken bij tweedeklassers in het voortgezet onderwijs.

De resultaten zijn zorgwekkend: 33% van Nederlandse jongeren blijft achter, nog eens 24% komt niet verder dan basale computervaardigheden. Dit terwijl Nederland over een uitstekende digitale infrastructuur beschikt - kennelijk hebben we wel de technologie, maar ontbreekt de juiste aanpak. Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland gemiddeld op computer- en informatiegeletterdheid, maar blijven we achter bij computationeel denken.

Opvallend is de digitale kloof tussen onderwijsniveaus: vmbo-basis/kader leerlingen scoren substantieel lager dan havo/vwo-leerlingen. Net als bij PISA zien we ook hier ongelijkheid, ondanks gelijke toegang tot apparatuur.

Ook bij ICILS geldt voorzichtigheid. De relatief lage respons roept vragen op over representativiteit, ondanks statistische correcties. Daarnaast gebruikt ICILS toetsen die losstaan van het Nederlandse curriculum, wat het lastig maakt te bepalen in hoeverre de resultaten aansluiten bij wat we in Nederland belangrijk vinden en wat jongeren in de praktijk nodig hebben.

De volwassen bevolking in beeld
Na de jeugd is het tijd voor volwassenen. Het PIAAC-onderzoek (dat elke tien jaar plaatsvindt) brengt taal-, reken- en probleemoplossende vaardigheden van Nederlandse volwassenen en ouderen (16-65 jaar) in kaart. In dagelijkse contexten, niet in schoolse situaties..

Het goede nieuws eerst: Nederlandse volwassenen doen het vergeleken met andere Europese landen uitstekend. We tellen relatief weinig laaggeletterden en juist veel mensen die uitstekend presteren, vooral bij rekenen. De taalvaardigheden blijven stabiel, de rekenvaardigheden zijn zelfs flink verbeterd. Wel zien we duidelijke verschillen tussen groepen - naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau.

Opvallend is dat jongvolwassenen (16-24 jaar) het in PIAAC bovengemiddeld goed doen. Dit lijkt in tegenspraak met de PISA-resultaten, die immers laten zien dat 15-jarigen onder het gemiddelde scoren bij leesvaardigheid. Hoe kan dat? Deze schijnbare tegenstelling doet ons nadenken over hoe we vaardigheden meten en in welke context we dat doen.

Toch zijn er ook zorgen. Ongeveer 16% van de Nederlandse volwassenen tussen 16 en 66 jaar heeft beperkte basisvaardigheden - zo'n 2,2 miljoen mensen. Bij ouderen (66-75 jaar) stijgt dit percentage zelfs naar 39% (ongeveer 1 miljoen mensen), al speelt hier natuurlijk ook leeftijd gerelateerde cognitieve achteruitgang een rol (ouderen dalen gemiddeld gezien een heel onderwijsniveau als zij op leeftijd komen). De groep met lage vaardigheden groeit bovendien langzaam, vooral door een toename van het aantal anderstaligen in de meting.

Ook hier geldt voorzichtigheid bij interpretatie. PIAAC wordt afgenomen op een tablet en is adaptief. Verder voegde Nederland bij de laatste meting ook 66-75-jarigen toe en gebruikte doorstap-interviews voor wie de taal onvoldoende machtig is. Dat vergroot inclusiviteit, maar maakt trendvergelijking over tijd lastiger.

Wat betekenen deze drie spiegels samen?
De drie onderzoeken vertellen geen tegenstrijdig verhaal, maar belichten verschillende aspecten van hetzelfde fenomeen. Elk onderzoek heeft zijn eigen focus en context:

  • PISA vangt schoolse prestaties van jongeren op één specifiek moment, in de kunstmatige omgeving van de klas, met toetsen waar niets van afhangt.

  • ICILS richt zich op digitale competenties en toont scherp de ongelijkheid tussen onderwijstypen aan

  • PIAAC meet vaardigheden van volwassenen in het échte dagelijkse leven en over de hele levensloop

De schijnbare paradox, PISA toont dalende leesvaardigheid, terwijl PIAAC stabiliteit laat zien, komt niet door "foute cijfers", maar door verschillende meetwerelden. Een 15-jarige die onder druk presteert op een schooltoets waar niets van afhangt is iets anders dan een 25-jarige die in het dagelijks leven leest wat hem interesseert en vrijwillig meedoet aan een internationaal onderzoek naar geletterdheid. Context bepaalt prestatie.

Wat deze drie onderzoeken samen leren: basisvaardigheden zijn geen vaststaand gegeven, maar afhankelijk van situatie, motivatie en gebruik. Voor bibliotheken betekent dit dat cijfers alleen betekenis krijgen als je begrijpt in welke leefwereld ze zijn gemeten. En wellicht belangrijker: welke leefwereld je zelf wilt bereiken.

Bibliotheken als bruggenbouwers
Nu we begrijpen dat elk onderzoek zijn eigen meetwereld heeft, wat betekent dit voor de dagelijkse bibliotheekpraktijk?

De vraag is niet: welke studie heeft gelijk? De vraag is: welke situatie wil je begrijpen en welke interventie past daarbij? PISA signaleert dat het schools lezen onder druk staat; ICILS laat zien dat toegang tot apparaten niet gelijk is aan competent handelen; PIAAC herinnert eraan dat wie basisvaardigheden gebruikt, ze behoudt, en wie ze niet gebruikt, ze verliest. Het "tegenstrijdige" wordt zo een werkplan, geen probleem.

Voor bibliotheken betekent dit: maak van cijfers belevingswerelden. Niet nog een poster met ranglijsten, maar situaties waarin taal, cijfers en digitale vaardigheden iets doen voor echte mensen. PISA vraagt om het verruimen van de leesomgeving: van boek naar verhaal, van verhaal naar gesprek, van gesprek naar handelen. Bouw leesplekken die niet informeren over lezen, maar laten ervaren dat lezen iets opent. Ook digitaal.

Bibliotheken zijn bovendien bij uitstek geschikt om leerlingen uit achtergestelde groepen te bereiken en te ondersteunen. Door laagdrempelige toegang tot leesmaterialen en ondersteunende diensten kunnen ze bijdragen aan het verkleinen van de ongelijkheden die in de PISA-resultaten aan het licht komen.

Bibliotheekblad 1 • januari 2026

33% van Nederlandse jongeren blijft achter op het gebied van digitale vaardigheden. Nog eens 24% komt niet verder dan basale computervaardigheden.

Over de auteurs

Alexander Smit is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoekt sociaal-digitale ongelijkheid en digitale inclusie onder mensen met beperkte basisvaardigheden.

Barend Last is leraar basisonderwijs en onderwijsmaker en schreef diverse boeken voor zowel kinderen als volwassenen.

Op 30 september 2025 besteedde NTR Wetenschap aandacht aan de vraag: Hoe lossen we de leescrisis op? Barend Last schreef op LinkedIn een kritische reflectie over deze documentaire.

De ICILS-inzichten helpen bibliotheekmedewerkers bij het ontwerpen van gerichte workshops en cursussen. Naast het versterken van digitale basisvaardigheden kunnen deze activiteiten ook aandacht besteden aan mediawijsheid en het kritisch beoordelen van informatie, wat cruciale vaardigheden zijn in een tijd van toenemende des- en misinformatie. De kloof tussen beschikbare technologie en werkelijke digitale vaardigheden van jongeren onderstreept dat we een nieuwe aanpak nodig hebben, waarin bibliotheken een sleutelrol kunnen vervullen. Belangrijk is wel dat we dat doen met oog voor de sociale context waarin iemand zich bevindt, met oog voor de emotionele en zintuigelijke ervaring van de digitale wereld. Er zijn nou eenmaal mensen die bang zijn dat als ze op een verkeerd knopje klikken op een computer, het hele ding in hun gezicht ontploft. Voorkom dus een te instrumentele benadering.

PIAAC is de realitycheck: ook een land dat internationaal relatief sterk presteert, heeft een substantiële groep met lage basisvaardigheden. Wat PIAAC vooral leert: geletterdheid is geen vast gegeven maar een levenslang proces. Mensen ontwikkelen én verliezen vaardigheden gedurende hun hele leven, afhankelijk van gebruik en context. Een huisarts moet medische teksten begrijpen, een lasser de handleiding van een lasapparaat. En als je wasmachine kapotgaat, is het fijn als je zelf kunt uitzoeken hoe je het probleem oplost.

Dit sluit perfect aan bij de maatschappelijke opgave 'Leven Lang Ontwikkelen' waar bibliotheken voor staan. Als laagdrempelige leer- en ontmoetingsplek kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van basis- en digitale vaardigheden bij zowel volwassenen als ouderen. Waar PISA en ICILS aantonen dat er werk aan de winkel is bij jongeren, laat PIAAC zien dat dit werk doorloopt tot ver in de volwassenheid.

Ongelijkheid loopt als een ondertitel onder alle tabellen. Het antwoord daarop is geen morele paniek, maar programmatische precisie: ga waar de kwetsbaarheid woont; programmeer op het tijdstip dat past; koppel taal en digitaal aan échte doelen (een sollicitatie, een betalingsregeling, een schoolportaal). Cijfers worden menselijker zodra de context klopt.

Tot slot
Door samen te werken met scholen, welzijnsorganisaties en beleidsmakers kunnen bibliotheken bruggen slaan tussen onderzoek en praktijk. Concreet betekent dit: gezamenlijke projecten waarbij leesvaardigheid en digitale vaardigheden worden gecombineerd, zoals digitale storytelling workshops; outreach-activiteiten in wijken met veel gezinnen met lagere sociaaleconomische status; mediawijs-programma's die ouders en kinderen samen volgen; of leescommunities die zowel fysiek als online actief zijn. Ook het creëren van veilige experimenteerruimtes waar kinderen zonder prestatiedruk hun digitale en talige creativiteit kunnen ontdekken, past in deze benadering.

Kortom, de drie internationale onderzoeken vertellen niet slechts één verhaal, maar drie waarheden in verschillende tempi: de school (PISA), het digitale veld (ICILS), en het volwassen leven (PIAAC). Het werk voor bibliotheken zit precies in de frictie tussen die waarheden: daar waar een getal een mens wordt en een mens een volgende stap zet. We moeten minder verliefd zijn op de cijfers en meer geobsedeerd door wat mensen morgen kunnen doen: lezen, kiezen, meedoen. Dat is geen bijkomstigheid; dat ís de kern van de bibliotheekopgave. En die verdient oog voor complexiteit.

Referenties
PISA (2024) – The State of Learning. PISA 2022 Results. Volume I. OECD. Retrieved from: https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2023/12/pisa-2022-results-volume-i_76772a36/53f23881-en.pdf

ICILS (2025) – International Report: An International Perspective On Digital Literacy. Volume I. IEA. Retrieved from: https://www.iea.nl/publications/icils-2023-international-report

PIAAC (2024) – PIAAC Nationaal Rapport. PIAAC 2023 Resultaten. Kernvaardigheden van volwassenen. Retrieved from: https://open.overheid.nl/documenten/dpc-5c49f6ad10bf3755c261afda7a9fa7ecdbad316d/pdf

Wat PISA, ICILS en PIAAC ons écht vertellen

Lezen, wiskunde en wetenschap in het voortgezet onderwijs
We beginnen logischerwijs met PISA, het meest bekende internationale vergelijkingsonderzoek, dat bij verschijning vrijwel altijd een nationale stortvloed aan opiniestukken ontketent en flink wat stof doet opwaaien. PISA (Programme for International Student Assessment) meet om de drie jaar toepassingsgericht lezen, rekenen en natuurwetenschappen bij 15-jarigen in een schoolsituatie.

Wat zien we? Nederlandse jongeren doen het op het gebied van rekenen vanouds goed, al tonen de PISA-resultaten uit 2022 voor het eerst een opvallende achteruitgang. De coronapandemie en de schoolsluitingen hebben hier waarschijnlijk aan bijgedragen. Zorgwekkender is dat de leesvaardigheid al langere tijd onder het Europese gemiddelde ligt, wat vragen oproept over de manier waarop we leesonderwijs momenteel vormgeven.

Bij het interpreteren van deze resultaten is echter enige voorzichtigheid geboden. De gebruikte testmethode is weliswaar efficiënt, maar maakt het door steeds veranderende afnamecondities, zoals de overgang van papier naar digitaal en van vaste vragen naar adaptieve testvormen, lastig om resultaten over verschillende jaren te vergelijken. Ook spelen achtergrondkenmerken zoals socio-economische status en culturele factoren een belangrijke rol, maar komen deze in de algemene cijfers niet altijd voldoende tot uiting. Tot slot gaat het om een zogenoemde ‘low-stake’ test: er hangt niets van af, waardoor kinderen weinig gemotiveerd zijn om zich in te spannen voor de toets. Dit blijkt ook uit onderzoek van PISA zelf: in de tweede helft van de toets blijken sommige leerlingen te gaan gokken om er sneller vanaf te zijn.

Digitale geletterdheid onder jongeren
Na PISA is het tijd voor een ander belangrijk terrein: digitale vaardigheden. Het ICILS-onderzoek (International Computer and Information Literacy Study) meet computer- en informatiegeletterdheid én computationeel denken bij tweedeklassers in het voortgezet onderwijs.

De resultaten zijn zorgwekkend: 33% van Nederlandse jongeren blijft achter, nog eens 24% komt niet verder dan basale computervaardigheden. Dit terwijl Nederland over een uitstekende digitale infrastructuur beschikt - kennelijk hebben we wel de technologie, maar ontbreekt de juiste aanpak. Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland gemiddeld op computer- en informatiegeletterdheid, maar blijven we achter bij computationeel denken.

Opvallend is de digitale kloof tussen onderwijsniveaus: vmbo-basis/kader leerlingen scoren substantieel lager dan havo/vwo-leerlingen. Net als bij PISA zien we ook hier ongelijkheid, ondanks gelijke toegang tot apparatuur.

Ook bij ICILS geldt voorzichtigheid. De relatief lage respons roept vragen op over representativiteit, ondanks statistische correcties. Daarnaast gebruikt ICILS toetsen die losstaan van het Nederlandse curriculum, wat het lastig maakt te bepalen in hoeverre de resultaten aansluiten bij wat we in Nederland belangrijk vinden en wat jongeren in de praktijk nodig hebben.

De volwassen bevolking in beeld
Na de jeugd is het tijd voor volwassenen. Het PIAAC-onderzoek (dat elke tien jaar plaatsvindt) brengt taal-, reken- en probleemoplossende vaardigheden van Nederlandse volwassenen en ouderen (16-65 jaar) in kaart. In dagelijkse contexten, niet in schoolse situaties..

Het goede nieuws eerst: Nederlandse volwassenen doen het vergeleken met andere Europese landen uitstekend. We tellen relatief weinig laaggeletterden en juist veel mensen die uitstekend presteren, vooral bij rekenen. De taalvaardigheden blijven stabiel, de rekenvaardigheden zijn zelfs flink verbeterd. Wel zien we duidelijke verschillen tussen groepen - naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau.

Opvallend is dat jongvolwassenen (16-24 jaar) het in PIAAC bovengemiddeld goed doen. Dit lijkt in tegenspraak met de PISA-resultaten, die immers laten zien dat 15-jarigen onder het gemiddelde scoren bij leesvaardigheid. Hoe kan dat? Deze schijnbare tegenstelling doet ons nadenken over hoe we vaardigheden meten en in welke context we dat doen.

Toch zijn er ook zorgen. Ongeveer 16% van de Nederlandse volwassenen tussen 16 en 66 jaar heeft beperkte basisvaardigheden - zo'n 2,2 miljoen mensen. Bij ouderen (66-75 jaar) stijgt dit percentage zelfs naar 39% (ongeveer 1 miljoen mensen), al speelt hier natuurlijk ook leeftijd gerelateerde cognitieve achteruitgang een rol (ouderen dalen gemiddeld gezien een heel onderwijsniveau als zij op leeftijd komen). De groep met lage vaardigheden groeit bovendien langzaam, vooral door een toename van het aantal anderstaligen in de meting.

Ook hier geldt voorzichtigheid bij interpretatie. PIAAC wordt afgenomen op een tablet en is adaptief. Verder voegde Nederland bij de laatste meting ook 66-75-jarigen toe en gebruikte doorstap-interviews voor wie de taal onvoldoende machtig is. Dat vergroot inclusiviteit, maar maakt trendvergelijking over tijd lastiger.

Wat betekenen deze drie spiegels samen?
De drie onderzoeken vertellen geen tegenstrijdig verhaal, maar belichten verschillende aspecten van hetzelfde fenomeen. Elk onderzoek heeft zijn eigen focus en context:

  • PISA vangt schoolse prestaties van jongeren op één specifiek moment, in de kunstmatige omgeving van de klas, met toetsen waar niets van afhangt.

  • ICILS richt zich op digitale competenties en toont scherp de ongelijkheid tussen onderwijstypen aan

  • PIAAC meet vaardigheden van volwassenen in het échte dagelijkse leven en over de hele levensloop

De schijnbare paradox, PISA toont dalende leesvaardigheid, terwijl PIAAC stabiliteit laat zien, komt niet door "foute cijfers", maar door verschillende meetwerelden. Een 15-jarige die onder druk presteert op een schooltoets waar niets van afhangt is iets anders dan een 25-jarige die in het dagelijks leven leest wat hem interesseert en vrijwillig meedoet aan een internationaal onderzoek naar geletterdheid. Context bepaalt prestatie.

Wat deze drie onderzoeken samen leren: basisvaardigheden zijn geen vaststaand gegeven, maar afhankelijk van situatie, motivatie en gebruik. Voor bibliotheken betekent dit dat cijfers alleen betekenis krijgen als je begrijpt in welke leefwereld ze zijn gemeten. En wellicht belangrijker: welke leefwereld je zelf wilt bereiken.

Bibliotheken als bruggenbouwers
Nu we begrijpen dat elk onderzoek zijn eigen meetwereld heeft, wat betekent dit voor de dagelijkse bibliotheekpraktijk?

De vraag is niet: welke studie heeft gelijk? De vraag is: welke situatie wil je begrijpen en welke interventie past daarbij? PISA signaleert dat het schools lezen onder druk staat; ICILS laat zien dat toegang tot apparaten niet gelijk is aan competent handelen; PIAAC herinnert eraan dat wie basisvaardigheden gebruikt, ze behoudt, en wie ze niet gebruikt, ze verliest. Het "tegenstrijdige" wordt zo een werkplan, geen probleem.

Voor bibliotheken betekent dit: maak van cijfers belevingswerelden. Niet nog een poster met ranglijsten, maar situaties waarin taal, cijfers en digitale vaardigheden iets doen voor echte mensen. PISA vraagt om het verruimen van de leesomgeving: van boek naar verhaal, van verhaal naar gesprek, van gesprek naar handelen. Bouw leesplekken die niet informeren over lezen, maar laten ervaren dat lezen iets opent. Ook digitaal.

Bibliotheken zijn bovendien bij uitstek geschikt om leerlingen uit achtergestelde groepen te bereiken en te ondersteunen. Door laagdrempelige toegang tot leesmaterialen en ondersteunende diensten kunnen ze bijdragen aan het verkleinen van de ongelijkheden die in de PISA-resultaten aan het licht komen.

Cijfers versus context

De afgelopen jaren hebben verschillende internationale vergelijkingsonderzoeken een grote invloed gehad op hoe we in Nederland denken over het landelijke niveau van basisvaardigheden. Gemiddeld gezien presteert Nederland sterk, maar tegelijk worstelt een substantieel deel van de bevolking met taal-, reken- en digitale vaardigheden. Dit vraagt om een nadere analyse. Vooral omdat bibliotheken precies in die ruimte tussen score en ervaring opereren. In dit stuk proberen we daarom antwoord te geven op de volgende vragen: wat meten we, wat missen we en wat betekent dat voor bibliotheken?



Bibliotheekblad 1 • januari 2026

Tekst: Alexander Smit & Barend Last(*) • Foto: Shutterstock • video: NTR WETENSCHAP

Onderzoek

Naast de in dit artikel genoemde initiatieven, verzorgt GO opleidingen ook al enige tijd opleidingsactiviteiten gericht op de frontoffice. Naast de Basisopleiding Bibliotheken (13-daagse opleiding), die zich juist richt op de klantgerichte informatievaardigheden en communicatie op de werkvloer, zijn de laatste jaren ook titels zoals 'Omgaan met grensoverschrijdend gedrag', 'Digitale informatievaardigheden', 'Coach Digitaal Burgerschap' en 'Customer Journey' toegevoegd aan het aanbod. GO opleidingen richt zich op medewerkers, die al in de bibliotheek werkzaam zijn en hun kennis en vaardigheden op het juiste niveau willen brengen. Het gehele aanbod is te vinden op: www.goopleidingen.nl