De leeszaal van de openbare bibliotheek Veendam in 1916. Bron: Nationaal Archief / Archief VOB
Bibliotheekblad en zijn voorlopers (deel I, tot en met 1940)
We waren druk, vooral met onszelf
Geschiedenis Bibliotheekblad deel I
Tekst: Mark Deckers
• Illustraties: kb nationale bibliotheek • Speciale dank aan Huibert Crijns, collectiespecialist KB nationale bibliotheek
Er bestond natuurlijk nog geen Bibliotheekblad voor de Tweede Wereldoorlog. Het blad bestaat dit jaar immers pas dertig jaar (1996-2026). Maar er waren wel altijd vakbladen. Hét vakblad voor openbare bibliotheken was vanaf het begin van de 20eeeuw Bibliotheekleven. En daarmee is Bibliotheekleven wel degelijk een voorganger van Bibliotheekblad. Waar schreef men over in die jonge jaren van het openbaar bibliotheekwerk? Mark Deckers dook in oude edities van Bibliotheekleven tot aan de Tweede Wereldoorlog. Wie zo de oude jaargangen leest, kan maar één conclusie trekken: We waren druk, vooral met onszelf.
Noten
1. Een Nutsbibliotheek is een uitleenbibliotheek die werd opgericht door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In 1794 werd de eerst nutsbibliotheek opgericht in Haarlem; deze was hiermee de eerste niet-commerciële uitleenbibliotheek in Nederland.
1940: Het oorlogsjaar
Wie de laatste nummers voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog doorleest, heeft niet het idee dat de oorlog op uitbreken staat. Er wordt rustig doorgekeuveld over de nieuwe bibliotheek in Dordrecht, een studiereis naar Engeland en een congres dat op 15 december zal plaats vinden in-cynisch genoeg- Het Vredespaleis in Den Haag.
In één artikel vond ik toch de oorlogsdreiging terug en dat is een artikel over luchtbescherming oftewel bombardementen. Er wordt in dat artikel gesteld dat men een kluis moet regelen voor de meest waardevolle uitgaven. Daarna moet overigens nagedacht worden over de veiligheid van personeel en publiek. Maar wel in die volgorde. De bibliotheek Hoogezand meldt nog even dat men eind april de tentoonstelling Vakantie in eigen land heeft geopend. Niet veel later vallen de bommen op Rotterdam. De bibliotheek blijft daar wonderwel gespaard.
1931: Het Tribunejaar
Eén van de grootste kwesties, zeg maar een schandaal, die vóór de Tweede Wereldoorlog aan bod komt, is het verbod op de communistische krant De Tribune. De Tribune was het dagblad van de Communistische Partij Holland. De krant werd door de Centrale Vereniging geweerd vanwege het moreel schadelijke karakter. En in artikel 2 van de Rijkssubsidievoorwaarden stond dat men dat moest weren. In artikel 3 stond overigens dat de bibliotheek het karakter van onpartijdigheid moest dragen en dat daarom lectuur van iedere richting aanwezig moest zijn.
Waar was dat verbod om begonnen? Het ging om een artikel uit december 1930 waarin de spot werd gedreven met het geloof en een spotprent uit januari 1931 waarin God de Vader en Jezus een interventie met gifgas prediken.
De al genoemde Greve en Molhuysen (directeur Koninklijke Bibliotheek) die beiden actief waren in het bestuur van de Centrale Vereniging, proberen de kwestie zo snel mogelijk te dempen. Maar een deel van de bibliotheekbesturen laat het zich niet gezeggen. Vooral het bestuur van de leeszaal in Hilversum maken het Greve en Molhuysen knap ingewikkeld. Het Hilversumse bibliotheekbestuur passeert het CV-bestuur en maakt de kwestie zelf aanhangig bij de minister. En daarmee wordt het hogerop gespeeld. De minister krijgt een advies van het CV-bestuur om de krant te verbieden op straffe van het inhouden van de subsidie. De minister neemt dit voorstel over en dat betekent dat bibliotheken die de krant nog wel aanbieden hun rijkssubsidie kwijtraken. Principes zijn leuk maar subsidie is belangrijker, denken de protesterende besturen. En De Tribune verdwijnt daarna van alle leestafels. Directeur Bartling van de Doetinchemse bibliotheek legt in een nummer daarna in Bibliotheekleven nog even fijntjes uit waar je allemaal op moet letten bij moreel schadelijke boeken. Hij verdedigt het standpunt van het CV-bestuur.
Een paar jaar later verschijnt overigens de NSB-krant Volk & Vaderland voor het eerst. Die krant wordt – met verwijzing naar het feit dat alle stromingen aanwezig moeten zijn, artikel 3 van de subsidievoorwaarden – wél opgenomen in veel collecties.
1921: De eerste leesconsulent?
Wel vinden we in 1921 nog een bijzondere advertentie. Gezocht wordt een 'kinderbibliothekaresse' die ook de wisselbibliotheken naar scholen onderhoudt. Op de advertentie wordt de 23-jarige Saskia Lobo aangenomen. Naast Lobo is Louise de Gaay Fortman dan al aan het werk in Den Haag. Zij werkt al vanaf 1920 voor de jeugd. Voor de goede orde: in veel bibliotheken stond in de statuten dat je alleen gebruik kon maken van de leeszaal boven de 18 jaar. Jongeren en kinderen konden alleen met schriftelijke toestemming van het bestuur (en hun ouders) toegang krijgen. In Den Haag startte men dus al rond 1920 met een vorm van de Bibliotheek op school. Fortman en Lobo spraken met hun 'leeskinderen' over boeken, individueel en in leesclubs, ze gingen op excursie naar musea, organiseerden voordrachtsavonden en boekbesprekingen met ouders en leerkrachten.
Lobo zette de Centrale Schoolbibliotheekdienst op, die wisselcollecties naar een reeks scholen zond. Ook toen was daar nog wel wat missiewerk bij nodig. Want scholen die zich aansloten raakten hun eigen aankoopbudget voor boeken kwijt en kregen daar de hulp van de Openbare Bibliotheek voor terug. Lobo was ook initiatiefnemer van het tijdschrift voor jeugdboeken De kleine vuurtoren.
Lobo zou al in 1930 overlijden als gevolg van complicaties van een operatie. Ze wordt dan opgevolgd door Hannie Wolff die tot begin jaren '70 de leesbevordering voor de jeugd zal leiden. Zij wordt de 'grand old lady' van het jeugdbibliotheekwerk genoemd. Wolff bleek dus een hele waardige opvolger van de veel te vroeg gestorven Lobo. Lobo kunnen we postuum wellicht wel de eerste leesconsulent noemen. En die Bibliotheek op school? Die is dus misschien wel veel ouder dan we denken. En dat Greve klaagde dat de rijkssubsidie niet voorzag in de (rijpere) jeugd snappen we nu ook. Hij had net zelf een jeugdbibliotheek opgezet.
1921: Het subsidiejaar, slechts een mededeling
In maart 1921 neemt het parlement de beslissing om structureel geld te gaan geven aan bibliotheekwerk. Een beetje een onderwerp zoals de zorgplicht nu. Je zou denken dat dat wel een ‘hot topic’ zou worden in het tijdschrift, maar niets is minder waar. Het wordt met twee wat langere artikelen bijna feitelijk afgedaan. En je zou zeggen dat er wel een feestelijk toontje bij zou zitten nu die tijdelijke subsidie structureel werd, maar nee. Het artikel van Greve, directeur in Den Haag en secretaris van de Centrale Vereniging, eindigt ermee dat er nog wel wat ontbreekt: er is geen regeling voor plattelandsbibliotheken, geen regeling voor de startkosten van een bibliotheek en er is geen regeling voor de (rijpere) jeugd.
1916: In hoeverre mag de bibliotheekgebruiker rekenen op de telefoon?
Vanaf het begin zit er ook wat interactie in het tijdschrift. Zo mogen lezers vragen stellen aan andere lezers en mag je het antwoord opsturen naar de vragensteller. Het antwoord op de vragen zien we overigens nooit terug in het tijdschrift. Het blijft dus gissen naar die antwoorden. Maar een mooi voorbeeld is toch wel de vraag van de directeur van de Haarlemse bibliotheek, J.D. Rutgers van der Loeff. Mag het publiek telefoneren met onze telefoon? Mag men honderd-en-een vragen stellen aan de bibliothecaris die deze maar zo spoedig mogelijk moet opzoeken, of zijn er ook grenzen aan onze bereidvaardigheid? Lees het vermakelijke sukje hiernaast, zou ik zeggen.
Bibliotheek op het slagveld en in de spionage
In 1916 wordt ook keer op keer melding gemaakt van inspanningen voor soldatenbibliotheken en hoe Belgische, Franse en Duitse soldaten lezen op het slagveld en hun spaarzame vrije uurtjes lezend doorbrengen. In Nederland zullen we vlak voor de Tweede Wereldoorlog hetzelfde zien. Dan worden er voor de gemobiliseerde soldaten ook bibliotheekjes opgezet.
Een bijzonder bericht is nog wel dat het internationale leenverkeer nog wel wat te lijden heeft onder de oorlog. Er wordt namelijk gewaarschuwd dat spionnen berichten in boeken kunnen verstoppen. En dat de censor dure boeken zonder pardon openknipt of er niet iets in verstopt zit. ‘Het verdient dus aanbeveling de boeken uit het buitenland maar en negligé te ontbieden want van de sierlijke gala-costumes komt in dezen niets ontzienden tijd weinig terecht.’ Het was natuurlijk klein leed terwijl honderdduizenden op het slagveld stierven.
1916: De eerste nummers Bibliotheekleven komt voor het eerst uit in 1916. De Eerste Wereldoorlog woedt buiten het neutrale Nederland. Er zijn op dat moment nog maar 34 openbare leeszalen bibliotheken in het land. De meeste bevinden zich in grote steden. Van alle grote steden ontbreekt Amsterdam dan nog. Daar is wel een Nutsbibliotheek1maar geen officiële openbare. En in enkele grote steden zijn er dan ook al twee: een openbare en een Rooms-Katholieke.
In het eerste nummer wordt geschreven dat door de verschijning van Bibliotheekleven, er niet méér maar mínder tijdschriften komen. Bibliotheekleven was namelijk een samenvoeging van het Maandblad voor het bibiotheekwezen en De maandberichten der Nederlandsche vereeniging der bibliothecarissen en bibliotheekambtenaren. Beide waren meer verenigingsbladen en er moest maar eens een ‘echt’ tijdschrift komen. De redactie spreekt de hoop uit dat er van deze samenvoeging ‘een fiksche opwekking ten leven mag uitgaan voor de bibliotheek- en leeszaalbeweging in Nederland.’ Waarvan akte.
Activisme: de vredesbeweging
In het eerste nummer van 1916 schrijft Annie Gebhard over de Vredesbeweging. Gebhard zou vanaf 1928 directeur zijn van de Amsterdamse bibliotheek maar is in 1916 nog aan het werk voor de Amsterdamse leeszaal voor jongens en meisjes. Dat die Vredesbeweging in de belangstelling stond was natuurlijk niet gek zo midden in de Eerste Wereldoorlog. Toch stelt Gebhard zich de vraag of de Openbare Leeszaal wel een positie mag innemen in die kwestie. Betekent openbaar niet neutraal?
Acht pagina’s(!) lang weegt ze de kwestie af, vergelijkt ze het met Amerikaanse bibliotheken en lardeert ze het met heel veel boektitels om lezers op te attenderen. Ze eindigt met: ‘Er zijn voor de Nederlandsche Openbare Bibliotheken dus, evenals voor de Amerikaansche, mogelijkheden te over om de vredesbeweging in de hand te werken, zonder daarbij de grenzen van hun eigenlijke taak te overschrijden. Evenals de Nederlandsche leeszalen zich aan den oorlogstoestand op bewonderenswaardige wijze hebben aangepast en in vele gevallen het moeilijk vraagstuk, hoe bij vermindering van middelen, vermeerdering van werkzaamheden te bewerkstellingen op de schitterendste wijze hebben opgelost, zoo zullen zij er zich ook meer en meer rekenschap van gaan geven, hoe hun arbeid zoo te verdiepen, dat deze mede de vervulling zal brengen van de spreuk in het oude gebouw van de Sneeker Leeszaal:
“In stee van ruw geweld en zwaard
Zal heerschen Geesteskracht op aard.”
Tja, voorgaande zin kende maar liefst 85 woorden. Dat trekken we tegenwoordig niet meer. Korte zinnetjes en soundbites: Annie Gebhard deed er niet aan en schreef de pagina’s vol. En gek is dat natuurlijk niet: het geschreven woord was het enige grote communicatiemiddel. Pas in 1919 begon in Nederland de radio. En het duurde nog wel even voordat dat gemeengoed werd.
Bibliotheekblad 7 • september 2026
1931: Het Tribunejaar
Eén van de grootste kwesties, zeg maar een schandaal, die vóór de Tweede Wereldoorlog aan bod komt, is het verbod op de communistische krant De Tribune. De Tribune was het dagblad van de Communistische Partij Holland. De krant werd door de Centrale Vereniging geweerd vanwege het moreel schadelijke karakter. En in artikel 2 van de Rijkssubsidievoorwaarden stond dat men dat moest weren. In artikel 3 stond overigens dat de bibliotheek het karakter van onpartijdigheid moest dragen en dat daarom lectuur van iedere richting aanwezig moest zijn.
Waar was dat verbod om begonnen? Het ging om een artikel uit december 1930 waarin de spot werd gedreven met het geloof en een spotprent uit januari 1931 waarin God de Vader en Jezus een interventie met gifgas prediken.
De al genoemde Greve en Molhuysen (directeur Koninklijke Bibliotheek) die beiden actief waren in het bestuur van de Centrale Vereniging, proberen de kwestie zo snel mogelijk te dempen. Maar een deel van de bibliotheekbesturen laat het zich niet gezeggen. Vooral het bestuur van de leeszaal in Hilversum maken het Greve en Molhuysen knap ingewikkeld. Het Hilversumse bibliotheekbestuur passeert het CV-bestuur en maakt de kwestie zelf aanhangig bij de minister. En daarmee wordt het hogerop gespeeld. De minister krijgt een advies van het CV-bestuur om de krant te verbieden op straffe van het inhouden van de subsidie. De minister neemt dit voorstel over en dat betekent dat bibliotheken die de krant nog wel aanbieden hun rijkssubsidie kwijtraken. Principes zijn leuk maar subsidie is belangrijker, denken de protesterende besturen. En De Tribune verdwijnt daarna van alle leestafels. Directeur Bartling van de Doetinchemse bibliotheek legt in een nummer daarna in Bibliotheekleven nog even fijntjes uit waar je allemaal op moet letten bij moreel schadelijke boeken. Hij verdedigt het standpunt van het CV-bestuur.
Een paar jaar later verschijnt overigens de NSB-krant Volk & Vaderland voor het eerst. Die krant wordt – met verwijzing naar het feit dat alle stromingen aanwezig moeten zijn, artikel 3 van de subsidievoorwaarden – wél opgenomen in veel collecties.
1921: De eerste leesconsulent?
Wel vinden we in 1921 nog een bijzondere advertentie. Gezocht wordt een 'kinderbibliothekaresse' die ook de wisselbibliotheken naar scholen onderhoudt. Op de advertentie wordt de 23-jarige Saskia Lobo aangenomen. Naast Lobo is Louise de Gaay Fortman dan al aan het werk in Den Haag. Zij werkt al vanaf 1920 voor de jeugd. Voor de goede orde: in veel bibliotheken stond in de statuten dat je alleen gebruik kon maken van de leeszaal boven de 18 jaar. Jongeren en kinderen konden alleen met schriftelijke toestemming van het bestuur (en hun ouders) toegang krijgen. In Den Haag startte men dus al rond 1920 met een vorm van de Bibliotheek op school. Fortman en Lobo spraken met hun 'leeskinderen' over boeken, individueel en in leesclubs, ze gingen op excursie naar musea, organiseerden voordrachtsavonden en boekbesprekingen met ouders en leerkrachten.
Lobo zette de Centrale Schoolbibliotheekdienst op, die wisselcollecties naar een reeks scholen zond. Ook toen was daar nog wel wat missiewerk bij nodig. Want scholen die zich aansloten raakten hun eigen aankoopbudget voor boeken kwijt en kregen daar de hulp van de Openbare Bibliotheek voor terug. Lobo was ook initiatiefnemer van het tijdschrift voor jeugdboeken De kleine vuurtoren.
Lobo zou al in 1930 overlijden als gevolg van complicaties van een operatie. Ze wordt dan opgevolgd door Hannie Wolff die tot begin jaren '70 de leesbevordering voor de jeugd zal leiden. Zij wordt de 'grand old lady' van het jeugdbibliotheekwerk genoemd. Wolff bleek dus een hele waardige opvolger van de veel te vroeg gestorven Lobo. Lobo kunnen we postuum wellicht wel de eerste leesconsulent noemen. En die Bibliotheek op school? Die is dus misschien wel veel ouder dan we denken. En dat Greve klaagde dat de rijkssubsidie niet voorzag in de (rijpere) jeugd snappen we nu ook. Hij had net zelf een jeugdbibliotheek opgezet.
Er bestond natuurlijk nog geen Bibliotheekblad voor de Tweede Wereldoorlog. Het blad bestaat dit jaar immers pas dertig jaar (1996-2026). Maar er waren wel altijd vakbladen. Hét vakblad voor openbare bibliotheken was vanaf het begin van de 20eeeuw Bibliotheekleven. En daarmee is Bibliotheekleven wel degelijk een voorganger van Bibliotheekblad. Waar schreef men over in die jonge jaren van het openbaar bibliotheekwerk? Mark Deckers dook in oude edities van Bibliotheekleven tot aan de Tweede Wereldoorlog. Wie zo de oude jaargangen leest, kan maar één conclusie trekken: We waren druk, vooral met onszelf.
Bibliotheekblad 7 • september 2026
Tekst: Mark Deckers
• Illustraties: kb nationale bibliotheek • Speciale dank aan Huibert Crijns, collectiespecialist KB nationale bibliotheek
We waren druk, vooral met onszelf
De leeszaal van de openbare bibliotheek Veendam in 1916. Bron: Nationaal Archief / Archief VOB
Bibliotheekblad en zijn voorlopers (deel I, tot en met 1940)
Geschiedenis Bibliotheekblad deel I
1916: De eerste nummers Bibliotheekleven komt voor het eerst uit in 1916. De Eerste Wereldoorlog woedt buiten het neutrale Nederland. Er zijn op dat moment nog maar 34 openbare leeszalen bibliotheken in het land. De meeste bevinden zich in grote steden. Van alle grote steden ontbreekt Amsterdam dan nog. Daar is wel een Nutsbibliotheek1maar geen officiële openbare. En in enkele grote steden zijn er dan ook al twee: een openbare en een Rooms-Katholieke.
In het eerste nummer wordt geschreven dat door de verschijning van Bibliotheekleven, er niet méér maar mínder tijdschriften komen. Bibliotheekleven was namelijk een samenvoeging van het Maandblad voor het bibiotheekwezen en De maandberichten der Nederlandsche vereeniging der bibliothecarissen en bibliotheekambtenaren. Beide waren meer verenigingsbladen en er moest maar eens een ‘echt’ tijdschrift komen. De redactie spreekt de hoop uit dat er van deze samenvoeging ‘een fiksche opwekking ten leven mag uitgaan voor de bibliotheek- en leeszaalbeweging in Nederland.’ Waarvan akte.
Activisme: de vredesbeweging
In het eerste nummer van 1916 schrijft Annie Gebhard over de Vredesbeweging. Gebhard zou vanaf 1928 directeur zijn van de Amsterdamse bibliotheek maar is in 1916 nog aan het werk voor de Amsterdamse leeszaal voor jongens en meisjes. Dat die Vredesbeweging in de belangstelling stond was natuurlijk niet gek zo midden in de Eerste Wereldoorlog. Toch stelt Gebhard zich de vraag of de Openbare Leeszaal wel een positie mag innemen in die kwestie. Betekent openbaar niet neutraal?
Acht pagina’s(!) lang weegt ze de kwestie af, vergelijkt ze het met Amerikaanse bibliotheken en lardeert ze het met heel veel boektitels om lezers op te attenderen. Ze eindigt met: ‘Er zijn voor de Nederlandsche Openbare Bibliotheken dus, evenals voor de Amerikaansche, mogelijkheden te over om de vredesbeweging in de hand te werken, zonder daarbij de grenzen van hun eigenlijke taak te overschrijden. Evenals de Nederlandsche leeszalen zich aan den oorlogstoestand op bewonderenswaardige wijze hebben aangepast en in vele gevallen het moeilijk vraagstuk, hoe bij vermindering van middelen, vermeerdering van werkzaamheden te bewerkstellingen op de schitterendste wijze hebben opgelost, zoo zullen zij er zich ook meer en meer rekenschap van gaan geven, hoe hun arbeid zoo te verdiepen, dat deze mede de vervulling zal brengen van de spreuk in het oude gebouw van de Sneeker Leeszaal:
“In stee van ruw geweld en zwaard
Zal heerschen Geesteskracht op aard.”
Tja, voorgaande zin kende maar liefst 85 woorden. Dat trekken we tegenwoordig niet meer. Korte zinnetjes en soundbites: Annie Gebhard deed er niet aan en schreef de pagina’s vol. En gek is dat natuurlijk niet: het geschreven woord was het enige grote communicatiemiddel. Pas in 1919 begon in Nederland de radio. En het duurde nog wel even voordat dat gemeengoed werd.
Bibliotheek op het slagveld en in de spionage
In 1916 wordt ook keer op keer melding gemaakt van inspanningen voor soldatenbibliotheken en hoe Belgische, Franse en Duitse soldaten lezen op het slagveld en hun spaarzame vrije uurtjes lezend doorbrengen. In Nederland zullen we vlak voor de Tweede Wereldoorlog hetzelfde zien. Dan worden er voor de gemobiliseerde soldaten ook bibliotheekjes opgezet.
Een bijzonder bericht is nog wel dat het internationale leenverkeer nog wel wat te lijden heeft onder de oorlog. Er wordt namelijk gewaarschuwd dat spionnen berichten in boeken kunnen verstoppen. En dat de censor dure boeken zonder pardon openknipt of er niet iets in verstopt zit. ‘Het verdient dus aanbeveling de boeken uit het buitenland maar en negligé te ontbieden want van de sierlijke gala-costumes komt in dezen niets ontzienden tijd weinig terecht.’ Het was natuurlijk klein leed terwijl honderdduizenden op het slagveld stierven.
Noten
1. Een Nutsbibliotheek is een uitleenbibliotheek die werd opgericht door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In 1794 werd de eerst nutsbibliotheek opgericht in Haarlem; deze was hiermee de eerste niet-commerciële uitleenbibliotheek in Nederland.
1940: Het oorlogsjaar
Wie de laatste nummers voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog doorleest, heeft niet het idee dat de oorlog op uitbreken staat. Er wordt rustig doorgekeuveld over de nieuwe bibliotheek in Dordrecht, een studiereis naar Engeland en een congres dat op 15 december zal plaats vinden in-cynisch genoeg- Het Vredespaleis in Den Haag.
In één artikel vond ik toch de oorlogsdreiging terug en dat is een artikel over luchtbescherming oftewel bombardementen. Er wordt in dat artikel gesteld dat men een kluis moet regelen voor de meest waardevolle uitgaven. Daarna moet overigens nagedacht worden over de veiligheid van personeel en publiek. Maar wel in die volgorde. De bibliotheek Hoogezand meldt nog even dat men eind april de tentoonstelling Vakantie in eigen land heeft geopend. Niet veel later vallen de bommen op Rotterdam. De bibliotheek blijft daar wonderwel gespaard.
1916: In hoeverre mag de bibliotheekgebruiker rekenen op de telefoon?
Vanaf het begin zit er ook wat interactie in het tijdschrift. Zo mogen lezers vragen stellen aan andere lezers en mag je het antwoord opsturen naar de vragensteller. Het antwoord op de vragen zien we overigens nooit terug in het tijdschrift. Het blijft dus gissen naar die antwoorden. Maar een mooi voorbeeld is toch wel de vraag van de directeur van de Haarlemse bibliotheek, J.D. Rutgers van der Loeff. Mag het publiek telefoneren met onze telefoon? Mag men honderd-en-een vragen stellen aan de bibliothecaris die deze maar zo spoedig mogelijk moet opzoeken, of zijn er ook grenzen aan onze bereidvaardigheid? Lees het vermakelijke sukje hiernaast, zou ik zeggen.
1921: Het subsidiejaar, slechts een mededeling
In maart 1921 neemt het parlement de beslissing om structureel geld te gaan geven aan bibliotheekwerk. Een beetje een onderwerp zoals de zorgplicht nu. Je zou denken dat dat wel een ‘hot topic’ zou worden in het tijdschrift, maar niets is minder waar. Het wordt met twee wat langere artikelen bijna feitelijk afgedaan. En je zou zeggen dat er wel een feestelijk toontje bij zou zitten nu die tijdelijke subsidie structureel werd, maar nee. Het artikel van Greve, directeur in Den Haag en secretaris van de Centrale Vereniging, eindigt ermee dat er nog wel wat ontbreekt: er is geen regeling voor plattelandsbibliotheken, geen regeling voor de startkosten van een bibliotheek en er is geen regeling voor de (rijpere) jeugd.