Roze koeken & condooms

Roze koeken & condooms is geschreven door Annette Brouwer. André: ‘Als jongetje kwam ik in 1959 op de wereld, maar als ik van onze Schepper had mogen kiezen, was ik liever een meisje geweest. Ik wist dit al voor mijn tiende, maar heb altijd tegen die gevoelens gevochten. Tot ik rond mijn veertigste begreep dat ik die strijd ging verliezen. Om een lang verhaal kort te maken: sinds die tijd ga ik regelmatig als Annette door het leven. Mijn lezingen geef ik als André, omdat ik in die hoedanigheid pelgrimeer (zie ook mijn boek Waar je geen zin meer in hebt). Mijn nieuwste boek Roze koeken & condooms verschijnt onder de naam Annette omdat dit natuurlijker voor me voelt.’

Meer informatie over de boeken van André / Annette is HIER te vinden.

Lauwe kak
‘Aan de andere kant maak ik natuurlijk ook leuke dingen mee. Laatst had ik een groep internationale studenten die naar Praag, Boedapest en Wenen gingen. Ik maak nog altijd gebruik van een papieren wegenkaart. Kreeg ik te horen: ‘Staan daar ook de files op meneer?’ ‘Dat niet,” zei ik, ‘maar ik heb wel altijd bereik.’ Onderweg gooi ik er regelmatig een gedicht uit. Als we een steile weg opgaan, zeg ik in de microfoon: ‘Vallen de haarspeldbochten u zwaar, in uw hoofd voelt u zich naar, door uw broek loopt lauwe kak, één troost: u zit veilig in de bus bij Bak’. Die doet het altijd wel.’

‘Om dit werk te doen moet je een mensenmens zijn. Ik rij ook niet graag met de dubbeldekker, want dan heb je nauwelijks contact met de mensen bovenin. Sommige chauffeurs vinden dat juist prachtig, want dan hebben ze geen geouwehoer aan hun kop, maar ik geniet van dat contact met de passagiers. Tegenwoordig rijd ik ook wel eens voor de firma Winkelbus. Rokers kunnen voor 39 euro heen en terug naar Luxemburg. Vijfhonderd meter over de grens stoppen we bij een shoppingcenter waar mensen sigaretten en shag inslaan. Van een tot vier mogen ze winkelen, maar sommigen zitten al om half twee bij de bus te wachten. Nadat we een keer in Hart van Nederland te zien waren, werden we op de terugweg in Amsterdam opgewacht door de douane. Drie busjes vol douaniers, hond erbij. Gelukkig had iedereen zich keurig aan de regels gehouden.’

‘Dat rijden op de bus hoop ik nog lang te doen. Bij ons loopt een chauffeur van 76. Daar mag ik graag naar kijken. Dan kan ik nog wel even. Zeker omdat Bak rekening met me houdt. Ik heb een hekel aan schoolreisjes, en heb er nog slechts eentje gehad dit jaar. Die krijsende kinderen… Dan maar liever de oudjes, ook al kom je soms terug met minder dan je ging.’

Bibliotheekblad
‘Of ik nog wel eens in een bibliotheek kom? Zelden. De laatste keer dat ik er was vroeg ik: ‘Mag ik het Bibliotheekblad inzien?’ ‘Welk bibliotheekblad’, was de wedervraag. ‘Dat heet zo’, zei ik. Die medewerkster droop af, in de overtuiging: met die klant kan ik niks. Toen kwam de leidinggevende erbij. Ik vroeg haar naar het laatste Bibliotheekblad. ‘Dat is van onszelf’, zei ze bits. ‘Ik kom het ook niet stelen, ik wil het enkel inzien’. Ze had het thuis liggen, dus het feest ging niet door. Daarna had ik het wel even gehad met de bibliotheek.’

Prikangst
‘Sinds 2019 rijd ik op een touringcar. Eerst bij de Jan de Wit Group in Haarlem en nu bij Bak Reizen in Alkmaar. Tussendoor heb ik tijdens corona nog even in een vaccinatiestraat gewerkt. Het leukst vond ik mensen met prikangst. Tegen collega’s zei ik: ‘Geef die maar aan mij’. ‘Vorige keer ben ik flauwgevallen’, hoorde ik dan. ‘Maar nu niet’, zei ik, ‘want ik blijf bij u. Wat doet u trouwens voor werk?’ ‘Ik ben docent Duits.’ ‘Verschrikkelijk met al die naamvallen.’ ‘Nee, dat vind ik juist mooi’. Zo probeerde ik de mensen gerust te stellen. Eén keer had ik een dame die net als ik op haar twintigste uit Brabant was vertrokken. Zij zei: ‘Ik kon goed leren maar heb nooit carrière gemaakt’, waarop ik zei: ‘Als dit een date was, hadden wij nu een match, maar onze ontmoeting duurt niet langer dan een vaccinatieprikje.’

Magie
‘Ook heb ik nog een klein jaar op een vrachtwagen gereden. Bloemen vanuit Aalsmeer of Rijnsburg naar Duitsland brengen. In Frankfurt stonden de Roemeense chauffeurs dan al te wachten om de bloemen verder te transporteren naar Zuid-Europa. In zeven minuten trokken ze mijn trailer leeg. Niet onaardig, dat rijden op de vrachtwagen, maar ik deed het wel vanuit het besef: dit hoef ik niet de rest van mijn leven te doen. Na die episode ben ik nog een keer naar Santiago de Compostela gelopen, maar de magie was weg. Boven Parijs lag ik in bed en dacht: bah, moet ik weer gaan lopen. Waarom doe ik het dan, vroeg ik me af. Ik heb de trein naar Parijs genomen, een nachtje in de Sacré Coeur geslapen en ben terug naar Alkmaar gegaan. Thuis heb ik gebeld met Bak Reizen en zei: ‘Kunt u nog een gemotiveerde chauffeur gebruiken?’ ‘Ja’, was het antwoord. ‘Kun je donderdag en vrijdag rijden? Ja? Kom dan woensdag even langs, dan regelen we het allemaal’.’

Te beroerd
‘Ik rij nu zo’n tweeënhalf jaar op de bus. Voor een deel gaat het om eigen reizen. Niet zelden oudere mensen. Zeg maar gerust: stokoude mensen. Twee keer heb ik in het buitenland de ambulance moeten bellen voor een van mijn passagiers. In één geval overleed de man kort daarna. Ik had daarna de zorg over zijn dementerende partner. Wat het zwaar maakte is dat noch de kinderen van de man, noch van de dementerende vrouw ook maar iets deden. Als mijn vader was overleden, zou ik direct in de auto zijn gestapt, maar deze kinderen deden helemaal niets. Gelukkig heeft een van de passagiers, die vroeger doktersassistente was geweest, zich een beetje over die arme vrouw ontfermd. Samen hebben we haar koffer nog ingepakt. Terug in Nederland waren die kinderen nog te beroerd om hun moeder bij de bus op te komen halen. Kon ik weer een taxi bellen om te zorgen dat ze thuiskwam. Zoiets zuigt je helemaal leeg.’

Gastvrijheid
‘In 2015 ben ik letterlijk opgestapt, want in dat jaar ben ik van mijn huis in Alkmaar naar Santiago de Compostela gewandeld. Ik deed het niet om mezelf te ontdekken. Wat me vooral trof onderweg was de gastvrijheid en vriendelijkheid van wildvreemden die op je pad komen. Als je thuis naar het nieuws kijkt denk je: wat leven we toch in een verrotte wereld, maar als je zo’n wandeling maakt, besef je: wat zijn er veel lieve mensen die je helpen. Ik heb mijn ervaringen gebundeld in een boekje vol ultrakorte verhaaltjes, die voor mij de waarde van het pelgrimeren onderstrepen. Ik heb er later ook nog een echt boek over geschreven, maar eigenlijk staat alles al in dat kleine boekje. Zo schreef ik over gastvrijheid: In Zwijndrecht zwaait een man zijn dochter uit, die in een busje naar de dagopvang gaat. Als ze om de bocht verdwenen is, vraagt hij waar ik naartoe ga. ‘Naar Spanje? Dan lust je zeker wel een kop koffie.’ Frans is een van de vele voorbeelden van spontane gastvrijheid, die ik heb mogen ondervinden. Wat zou ik zelf doen als er iemand met een rugzak door mijn straat liep?’

‘Tot mijn twintigste heb ik in West-Brabant gewoond, en toen ben ik weggegaan uit dat benauwde gat, kijkt André Brouwer terug op zijn jeugd. ‘Aansluitend heb ik tien jaar met plezier in Amsterdam gewoond. Aanvankelijk met de bedoeling om er sociologie te gaan studeren, maar ik heb de Oudemanhuispoort één keer van binnen gezien. In plaats van sociologie ging ik op vrachtwagens rijden en op mijn 24ste dacht ik: het wordt tijd weer eens een studie op te pakken. De universiteit durfde ik niet meer goed, waarop een vriend mij attendeerde op de bibliotheekacademie. Dat leek me wel iets en die studie heb ik met twee vingers in de neus gedaan. In het laatste jaar van die opleiding viel mijn oog op een advertentie in de krant. Een huiskamerproject voor straatprostituées zocht vrijwilligers. Daar stond dit zinnetje onder: tevens zoeken wij chauffeurs die de mobiele huiskamer ’s avonds van de parking naar de standplaats op de gedoogzone willen brengen en ’s nachts weer terug. Tijdens mijn sollicitatie ontstond er een wat lacherige sfeer tussen de coördinatrice en een bestuurslid. Uiteindelijk zei die coördinatrice: we hebben vijftien reacties gehad, en jij was de enige zonder strafblad.’

Het gevolg van die schone lei was dat André werd aangenomen. ‘Aanvankelijk alleen als chauffeur van de mobiele huiskamer, maar toen een van de vrijwilligsters op een avond vergeten was dat ze moest werken, viel ik noodgedwongen in. Dat beviel de meiden zo goed, dat ik vaker werd ingeroosterd. Overdag ging ik ook wel met hen naar de tandarts of de sociale dienst. Ik vond het hartstikke leuk. Over die ervaringen heb ik een boek geschreven. Ik heb er lang over gedaan. Zo lang dat ik op mijn 65ste dacht: voordat ik de kist in ga, moet het er toch een keer van komen, en dat resulteerde in Roze koeken & condooms. (Zie kadertekst, red.) Die titel heb ik ontleend aan een teleurgestelde stagiaire van de sociale academie die over haar hulpverlening voor de prostituées zei: “Ik ben alleen maar roze koeken en condooms aan het verkopen”.

Boerenknecht
Toen André drie jaar op de gedoogzone werkte, zei een andere chauffeur: ‘Ik rij in Utrecht ook op de bibliotheekbus. Daar zoeken ze nog invallers.’ André ging er aan de slag en kreeg te horen dat ze in Noord-Holland eveneens chauffeurs zochten, en bij voorkeur mensen die ook een bibliotheekdiploma op zak hadden, zodat ze slechts één persoon op de bus hoefden te zetten. ‘Negen jaar heb ik bij de toenmalige PBC Noord-Holland gewerkt. Voor mijn gevoel iets te lang. Het leuke was dat ik in elk dorp mensen leerde kennen. Ik kende sommigen van de speeltuin tot hun tweede huwelijk, zal ik maar zeggen. Af en toe vroeg iemand: ‘Ik wil een gezellig boek’. ‘Daar kan ik niks mee’, zei ik dan. Er stonden ook wel eens van die spirituele lui in de bus. Die noemde ik metafysici. In het bijzonder herinner ik me een boerenknecht. Een man zonder opleiding, maar erg geïnteresseerd in literatuur. Tegen mij zei hij dingen als: ‘Dat boek Zondagsrust van Frans Coenen, dat moet u eens lezen.’ Toen de bus in het dorp van die man werd wegbezuinigd, werd hij geïnterviewd door de krant. In dat stuk zei hij: ‘Als ik straks bij Petrus kom, hoop ik dat hij een stempeltje in mijn boek zet met de tekst: voor eeuwig’. Ik reed door heel Noord-Holland, van Muiderberg tot Texel. In die tijd heb ik ook Wim Keizer, de directie-secretaris, leren kennen. Toen zijn communicatiemedewerkster opstapte, heb ik een beetje met Wim aangepapt en mocht ik haar plaats innemen. Het waren roerige tijden, want de PBC Noord-Holland ging fuseren met die in Zuid-Holland. Die komst van ProBiblio gaf intern een hoop wrevel. Men vond de fusie nog tot daaraan toe, maar men wilde zeker niet verhuizen naar Hoofddorp.’

Kerstpakket
‘In 2002 ben ik weggegaan bij de PBC. Mijn vader overleed en in een onbezonnen bui heb ik ontslag genomen. Ik wilde voor mezelf beginnen, maar dan moet je klanten acquireren, en dat kwam niet van de grond. Vervolgens ben ik mij bij een notuleerdienst gaan aanbieden, en dat ging wel lopen. Ik heb dat werk bijna twintig jaar gedaan en had onder meer de gemeente Amsterdam als klant. Je hoorde van alles. Ik zei wel eens gekscherend: ‘Als ik morgen Het Parool bel staat het op de voorpagina’. De uitdaging van notuleren was voor mij iets zo opschrijven dat het de waarheid geen geweld aandeed. Ik kreeg daar per uur betaald, dus een vergadering kon me niet lang genoeg duren. Hoewel ik het leuk werk vond, merk je op een bepaald moment, dat je toch over je houdbaarheidsgrens heengaat. Ik kreeg altijd een kerstpakket en werd uitgenodigd voor de nieuwjaarsborrel, maar opeens was het over.’

Van bibliobus naar touringcar

Er zullen weinig mensen zijn die werkzaam waren op een tippelzone, bij een provinciale bibliotheekcentrale en in een vaccinatiestraat. André Brouwer deed het allemaal en meer dan dat. Tegenwoordig bestuurt hij regelmatig een touringcar. Het verhaal van een man met veel onvermoede kwaliteiten en een bovengemiddeld gevoel voor humor.

‘Om dit werk te doen moet je een mensenmens zijn!’

DE CARRIÈRESWITCH

Tekst en foto’s: EIMER WIELDRAAIJER

Bibliotheekblad 1 • januari 2025

Roze koeken & condooms

Roze koeken & condooms is geschreven door Annette Brouwer. André: ‘Als jongetje kwam ik in 1959 op de wereld, maar als ik van onze Schepper had mogen kiezen, was ik liever een meisje geweest. Ik wist dit al voor mijn tiende, maar heb altijd tegen die gevoelens gevochten. Tot ik rond mijn veertigste begreep dat ik die strijd ging verliezen. Om een lang verhaal kort te maken: sinds die tijd ga ik regelmatig als Annette door het leven. Mijn lezingen geef ik als André, omdat ik in die hoedanigheid pelgrimeer (zie ook mijn boek Waar je geen zin meer in hebt). Mijn nieuwste boek Roze koeken & condooms verschijnt onder de naam Annette omdat dit natuurlijker voor me voelt.’

Meer informatie over de boeken van André / Annette is HIER te vinden.

Lauwe kak
‘Aan de andere kant maak ik natuurlijk ook leuke dingen mee. Laatst had ik een groep internationale studenten die naar Praag, Boedapest en Wenen gingen. Ik maak nog altijd gebruik van een papieren wegenkaart. Kreeg ik te horen: ‘Staan daar ook de files op meneer?’ ‘Dat niet,” zei ik, ‘maar ik heb wel altijd bereik.’ Onderweg gooi ik er regelmatig een gedicht uit. Als we een steile weg opgaan, zeg ik in de microfoon: ‘Vallen de haarspeldbochten u zwaar, in uw hoofd voelt u zich naar, door uw broek loopt lauwe kak, één troost: u zit veilig in de bus bij Bak’. Die doet het altijd wel.’

‘Om dit werk te doen moet je een mensenmens zijn. Ik rij ook niet graag met de dubbeldekker, want dan heb je nauwelijks contact met de mensen bovenin. Sommige chauffeurs vinden dat juist prachtig, want dan hebben ze geen geouwehoer aan hun kop, maar ik geniet van dat contact met de passagiers. Tegenwoordig rijd ik ook wel eens voor de firma Winkelbus. Rokers kunnen voor 39 euro heen en terug naar Luxemburg. Vijfhonderd meter over de grens stoppen we bij een shoppingcenter waar mensen sigaretten en shag inslaan. Van een tot vier mogen ze winkelen, maar sommigen zitten al om half twee bij de bus te wachten. Nadat we een keer in Hart van Nederland te zien waren, werden we op de terugweg in Amsterdam opgewacht door de douane. Drie busjes vol douaniers, hond erbij. Gelukkig had iedereen zich keurig aan de regels gehouden.’

‘Dat rijden op de bus hoop ik nog lang te doen. Bij ons loopt een chauffeur van 76. Daar mag ik graag naar kijken. Dan kan ik nog wel even. Zeker omdat Bak rekening met me houdt. Ik heb een hekel aan schoolreisjes, en heb er nog slechts eentje gehad dit jaar. Die krijsende kinderen… Dan maar liever de oudjes, ook al kom je soms terug met minder dan je ging.’

Bibliotheekblad
‘Of ik nog wel eens in een bibliotheek kom? Zelden. De laatste keer dat ik er was vroeg ik: ‘Mag ik het Bibliotheekblad inzien?’ ‘Welk bibliotheekblad’, was de wedervraag. ‘Dat heet zo’, zei ik. Die medewerkster droop af, in de overtuiging: met die klant kan ik niks. Toen kwam de leidinggevende erbij. Ik vroeg haar naar het laatste Bibliotheekblad. ‘Dat is van onszelf’, zei ze bits. ‘Ik kom het ook niet stelen, ik wil het enkel inzien’. Ze had het thuis liggen, dus het feest ging niet door. Daarna had ik het wel even gehad met de bibliotheek.’

Prikangst
‘Sinds 2019 rijd ik op een touringcar. Eerst bij de Jan de Wit Group in Haarlem en nu bij Bak Reizen in Alkmaar. Tussendoor heb ik tijdens corona nog even in een vaccinatiestraat gewerkt. Het leukst vond ik mensen met prikangst. Tegen collega’s zei ik: ‘Geef die maar aan mij’. ‘Vorige keer ben ik flauwgevallen’, hoorde ik dan. ‘Maar nu niet’, zei ik, ‘want ik blijf bij u. Wat doet u trouwens voor werk?’ ‘Ik ben docent Duits.’ ‘Verschrikkelijk met al die naamvallen.’ ‘Nee, dat vind ik juist mooi’. Zo probeerde ik de mensen gerust te stellen. Eén keer had ik een dame die net als ik op haar twintigste uit Brabant was vertrokken. Zij zei: ‘Ik kon goed leren maar heb nooit carrière gemaakt’, waarop ik zei: ‘Als dit een date was, hadden wij nu een match, maar onze ontmoeting duurt niet langer dan een vaccinatieprikje.’

Magie
‘Ook heb ik nog een klein jaar op een vrachtwagen gereden. Bloemen vanuit Aalsmeer of Rijnsburg naar Duitsland brengen. In Frankfurt stonden de Roemeense chauffeurs dan al te wachten om de bloemen verder te transporteren naar Zuid-Europa. In zeven minuten trokken ze mijn trailer leeg. Niet onaardig, dat rijden op de vrachtwagen, maar ik deed het wel vanuit het besef: dit hoef ik niet de rest van mijn leven te doen. Na die episode ben ik nog een keer naar Santiago de Compostela gelopen, maar de magie was weg. Boven Parijs lag ik in bed en dacht: bah, moet ik weer gaan lopen. Waarom doe ik het dan, vroeg ik me af. Ik heb de trein naar Parijs genomen, een nachtje in de Sacré Coeur geslapen en ben terug naar Alkmaar gegaan. Thuis heb ik gebeld met Bak Reizen en zei: ‘Kunt u nog een gemotiveerde chauffeur gebruiken?’ ‘Ja’, was het antwoord. ‘Kun je donderdag en vrijdag rijden? Ja? Kom dan woensdag even langs, dan regelen we het allemaal’.’

Te beroerd
‘Ik rij nu zo’n tweeënhalf jaar op de bus. Voor een deel gaat het om eigen reizen. Niet zelden oudere mensen. Zeg maar gerust: stokoude mensen. Twee keer heb ik in het buitenland de ambulance moeten bellen voor een van mijn passagiers. In één geval overleed de man kort daarna. Ik had daarna de zorg over zijn dementerende partner. Wat het zwaar maakte is dat noch de kinderen van de man, noch van de dementerende vrouw ook maar iets deden. Als mijn vader was overleden, zou ik direct in de auto zijn gestapt, maar deze kinderen deden helemaal niets. Gelukkig heeft een van de passagiers, die vroeger doktersassistente was geweest, zich een beetje over die arme vrouw ontfermd. Samen hebben we haar koffer nog ingepakt. Terug in Nederland waren die kinderen nog te beroerd om hun moeder bij de bus op te komen halen. Kon ik weer een taxi bellen om te zorgen dat ze thuiskwam. Zoiets zuigt je helemaal leeg.’

Gastvrijheid
‘In 2015 ben ik letterlijk opgestapt, want in dat jaar ben ik van mijn huis in Alkmaar naar Santiago de Compostela gewandeld. Ik deed het niet om mezelf te ontdekken. Wat me vooral trof onderweg was de gastvrijheid en vriendelijkheid van wildvreemden die op je pad komen. Als je thuis naar het nieuws kijkt denk je: wat leven we toch in een verrotte wereld, maar als je zo’n wandeling maakt, besef je: wat zijn er veel lieve mensen die je helpen. Ik heb mijn ervaringen gebundeld in een boekje vol ultrakorte verhaaltjes, die voor mij de waarde van het pelgrimeren onderstrepen. Ik heb er later ook nog een echt boek over geschreven, maar eigenlijk staat alles al in dat kleine boekje. Zo schreef ik over gastvrijheid: In Zwijndrecht zwaait een man zijn dochter uit, die in een busje naar de dagopvang gaat. Als ze om de bocht verdwenen is, vraagt hij waar ik naartoe ga. ‘Naar Spanje? Dan lust je zeker wel een kop koffie.’ Frans is een van de vele voorbeelden van spontane gastvrijheid, die ik heb mogen ondervinden. Wat zou ik zelf doen als er iemand met een rugzak door mijn straat liep?’

Van bibliobus naar touringcar

Bibliotheekblad 1 • januari 2025

‘Tot mijn twintigste heb ik in West-Brabant gewoond, en toen ben ik weggegaan uit dat benauwde gat, kijkt André Brouwer terug op zijn jeugd. ‘Aansluitend heb ik tien jaar met plezier in Amsterdam gewoond. Aanvankelijk met de bedoeling om er sociologie te gaan studeren, maar ik heb de Oudemanhuispoort één keer van binnen gezien. In plaats van sociologie ging ik op vrachtwagens rijden en op mijn 24ste dacht ik: het wordt tijd weer eens een studie op te pakken. De universiteit durfde ik niet meer goed, waarop een vriend mij attendeerde op de bibliotheekacademie. Dat leek me wel iets en die studie heb ik met twee vingers in de neus gedaan. In het laatste jaar van die opleiding viel mijn oog op een advertentie in de krant. Een huiskamerproject voor straatprostituées zocht vrijwilligers. Daar stond dit zinnetje onder: tevens zoeken wij chauffeurs die de mobiele huiskamer ’s avonds van de parking naar de standplaats op de gedoogzone willen brengen en ’s nachts weer terug. Tijdens mijn sollicitatie ontstond er een wat lacherige sfeer tussen de coördinatrice en een bestuurslid. Uiteindelijk zei die coördinatrice: we hebben vijftien reacties gehad, en jij was de enige zonder strafblad.’

Het gevolg van die schone lei was dat André werd aangenomen. ‘Aanvankelijk alleen als chauffeur van de mobiele huiskamer, maar toen een van de vrijwilligsters op een avond vergeten was dat ze moest werken, viel ik noodgedwongen in. Dat beviel de meiden zo goed, dat ik vaker werd ingeroosterd. Overdag ging ik ook wel met hen naar de tandarts of de sociale dienst. Ik vond het hartstikke leuk. Over die ervaringen heb ik een boek geschreven. Ik heb er lang over gedaan. Zo lang dat ik op mijn 65ste dacht: voordat ik de kist in ga, moet het er toch een keer van komen, en dat resulteerde in Roze koeken & condooms. (Zie kadertekst, red.) Die titel heb ik ontleend aan een teleurgestelde stagiaire van de sociale academie die over haar hulpverlening voor de prostituées zei: “Ik ben alleen maar roze koeken en condooms aan het verkopen”.

Boerenknecht
Toen André drie jaar op de gedoogzone werkte, zei een andere chauffeur: ‘Ik rij in Utrecht ook op de bibliotheekbus. Daar zoeken ze nog invallers.’ André ging er aan de slag en kreeg te horen dat ze in Noord-Holland eveneens chauffeurs zochten, en bij voorkeur mensen die ook een bibliotheekdiploma op zak hadden, zodat ze slechts één persoon op de bus hoefden te zetten. ‘Negen jaar heb ik bij de toenmalige PBC Noord-Holland gewerkt. Voor mijn gevoel iets te lang. Het leuke was dat ik in elk dorp mensen leerde kennen. Ik kende sommigen van de speeltuin tot hun tweede huwelijk, zal ik maar zeggen. Af en toe vroeg iemand: ‘Ik wil een gezellig boek’. ‘Daar kan ik niks mee’, zei ik dan. Er stonden ook wel eens van die spirituele lui in de bus. Die noemde ik metafysici. In het bijzonder herinner ik me een boerenknecht. Een man zonder opleiding, maar erg geïnteresseerd in literatuur. Tegen mij zei hij dingen als: ‘Dat boek Zondagsrust van Frans Coenen, dat moet u eens lezen.’ Toen de bus in het dorp van die man werd wegbezuinigd, werd hij geïnterviewd door de krant. In dat stuk zei hij: ‘Als ik straks bij Petrus kom, hoop ik dat hij een stempeltje in mijn boek zet met de tekst: voor eeuwig’. Ik reed door heel Noord-Holland, van Muiderberg tot Texel. In die tijd heb ik ook Wim Keizer, de directie-secretaris, leren kennen. Toen zijn communicatiemedewerkster opstapte, heb ik een beetje met Wim aangepapt en mocht ik haar plaats innemen. Het waren roerige tijden, want de PBC Noord-Holland ging fuseren met die in Zuid-Holland. Die komst van ProBiblio gaf intern een hoop wrevel. Men vond de fusie nog tot daaraan toe, maar men wilde zeker niet verhuizen naar Hoofddorp.’

Kerstpakket
‘In 2002 ben ik weggegaan bij de PBC. Mijn vader overleed en in een onbezonnen bui heb ik ontslag genomen. Ik wilde voor mezelf beginnen, maar dan moet je klanten acquireren, en dat kwam niet van de grond. Vervolgens ben ik mij bij een notuleerdienst gaan aanbieden, en dat ging wel lopen. Ik heb dat werk bijna twintig jaar gedaan en had onder meer de gemeente Amsterdam als klant. Je hoorde van alles. Ik zei wel eens gekscherend: ‘Als ik morgen Het Parool bel staat het op de voorpagina’. De uitdaging van notuleren was voor mij iets zo opschrijven dat het de waarheid geen geweld aandeed. Ik kreeg daar per uur betaald, dus een vergadering kon me niet lang genoeg duren. Hoewel ik het leuk werk vond, merk je op een bepaald moment, dat je toch over je houdbaarheidsgrens heengaat. Ik kreeg altijd een kerstpakket en werd uitgenodigd voor de nieuwjaarsborrel, maar opeens was het over.’

Er zullen weinig mensen zijn die werkzaam waren op een tippelzone, bij een provinciale bibliotheekcentrale en in een vaccinatiestraat. André Brouwer deed het allemaal en meer dan dat. Tegenwoordig bestuurt hij regelmatig een touringcar. Het verhaal van een man met veel onvermoede kwaliteiten en een bovengemiddeld gevoel voor humor.

‘Om dit werk te doen moet je een mensenmens zijn!’

Tekst en foto’s: EIMER WIELDRAAIJER

DE CARRIÈRESWITCH