Foto: Gea Schenk
Esther Moesker samen met haar gezin in 2023 tijdens de Rugby World Cup in Frankrijk.
Esther Moesker: ‘Ik werk met ontzettend kundige collega’s, dus ik heb alle vertrouwen dat zij weten hoe ze het moeten aanpakken.’
MANAGEMENT
TEKST: ANNE Louïse VAN DEN DOOL • FOTO’S: ZIE CREDITS langs zijkant
Esther Moesker, directeur-bestuurder Biblionet Drenthe
‘Je moet mij niet op de winkel laten passen’
Sinds 1 januari 2025 staat Esther Moesker aan het hoofd van Biblionet Drenthe, bibliotheekorganisatie en POI in één. Daar kan ze mooi verder bouwen op de ervaring die ze in de zorg en in de museumsector heeft opgedaan. De gemene deler: haar tomeloze inzet voor de toegankelijkheid van lokale voorzieningen, die de burger helpen zich nog verder te ontwikkelen.
Bibliotheekblad 1 • januari 2026
Hoe zou je je leiderschapsstijl typeren?
Ik ga voor resultaat, maar altijd in verbinding. Ik weet dat het geen zin heeft om in mijn eentje heel hard te gaan rennen. Ik vraag altijd aan medewerkers: wat hebben jullie nodig om dit voor elkaar te krijgen? Ik werk met ontzettend kundige collega’s, dus ik heb alle vertrouwen dat zij weten hoe ze het moeten aanpakken. Dat moet ook wel: ik kan niet op 35 locaties tegelijkertijd zijn. Voor zulk eigenaarschap zijn goede afspraken nodig.
Op welke prestatie ben je trots?
Mijn kinderen zijn mijn grootste trots. Hun welzijn staat voor mij op één. Zonder mijn gezin als basis had ik al dit werk nooit kunnen doen.
Verder heeft mijn jaar in Schotland me veel gebracht. Ik ging daar in mijn eentje naartoe en moest mijn hele leven daar opnieuw opbouwen. Weten dat je dat kunt, helpt je de rest van je leven door moeilijke tijden heen.
Ook mijn jaren bij EY waren heel waardevol. Ik heb daar ontzettend veel geleerd. Ik kan iedereen aanbevelen eens een paar jaar in de consultancy rond te lopen: je leert organisaties razendsnel kennen en begrijpen. Ik heb daar een onderbuikgevoel ontwikkeld dat me nu als directeur-bestuurder heel goed van pas komt.
Als ik terugkijk naar mijn zorgperiode, ben ik trots dat we in regio’s waar de ziekenhuizen onder druk stonden, de zorg toch goed hebben weten te organiseren, bijvoorbeeld door bepaalde zorgtaken als ziekenhuis bij de huisarts in de praktijk te gaan organiseren. In een vrij traditionele en gesegmenteerde sector hebben we het voor elkaar gekregen om mensen meer in netwerken te laten denken en werken.
Natuurlijk was het ook een eer voor mij dat ik als Groningse vier jaar zakelijk directeur mocht zijn van het Groninger Museum. Als je dat vroeger tegen me had gezegd, had ik je waarschijnlijk niet geloofd. De museale wereld is zo bijzonder: je runt de organisatie samen met allerlei typen mensen– van razend creatieve kunstenaars tot beveiligers die de objecten in de gaten moeten houden. Je werkzaamheden variëren van visionair tot heel praktisch: op het ene moment ben je bezig met de ontwikkeling van een nieuwe tentoonstelling, het volgende moment is het toilet verstopt en moet dat worden opgelost.
Heb je hobby’s?
Mijn kinderen wonen niet meer thuis, dus ik heb inmiddels weer wat meer tijd voor mezelf. Natuurlijk bezoek ik graag musea – ik ben dol op beeldende kunst. Daarnaast lees ik natuurlijk graag boeken, maar ik kijk net zo graag naar de plaatjes. Doe mij maar een mooi vormgegeven koffietafelboek of een managementboek. Verder ben ik behoorlijk sportief: ik doe nog mee aan de hockeycompetitie, ga vaak naar de sportschool en doe aan golf. Daarnaast vind je mij vaak in de keuken: van Italië tot Indisch, ik vind het allemaal heerlijk. Ook ben ik toezichthouder: ik zit in de raad van toezicht van een kinderopvangorganisatie en tot voor kort van een zorgadviesinstelling. Daar leer ik ook veel van wat me in de bibliotheek goed van pas komt: daar zit ik aan de andere kant van de tafel.
Wat is je lievelingsboek of -film?
Ik ben gek op managementboeken in de breedste zin van het woord: ik ben dol op zelfontwikkeling. Verder vind ik het boek van Miek Swamborn getiteld Onderling – Langs de kustlijn van Mull een echte aanrader. Daar komt van alles in samen: natuur, kunst, cultuur en natuurlijk Schotland. Qua films houd ik het meest van detectives en dan vooral Europese.
Wat je is je favoriete vakantiebestemming?
Ik ga het liefst naar Italië en Schotland. Beide plekken hebben sinds mijn jonge jaren al een plekje in mijn hart. Ik ben dol op de natuur die je daar vindt: zo onbegrensd en ruig vind je die in Nederland niet. Dat maakt soms ook dat in een afgelegen dorp niet altijd alle voorzieningen te vinden zijn die je als burger nodig hebt. De bibliotheek is op zulke plekken zo belangrijk.
Italië voelt voor mij als thuiskomen. Zodra we de grens over zijn, stappen we uit bij een tankstation om het eerste kopje heerlijk verse koffie te halen. In Italië ben ik altijd vrolijk, dankzij het heerlijke klimaat, de prachtige taal en de goede wijn. Mijn liefde voor Schotland zit dieper: daar ben ik volwassen geworden.
Wat weten maar weinig mensen over jou?
Ik heb in mijn studententijd gerugbyd en kijk nog steeds graag wedstrijden. Je ziet zoveel broederschap in die sport – op het veld en daarbuiten. Waar ik ook kom, als ik zeg dat ik van rugby houd, maak ik vrienden met andere liefhebbers, ook als je van een andere partij bent. En: omdat je de bal niet naar voren mag gooien, ontstaat er in het veld een andere dynamiek. Om te kunnen winnen, heb je allerlei types nodig: grote sterke teamleden, maar ook kleine types – net als in het werk en in de wereld als geheel. Je hebt iedereen nodig: je doet het uiteindelijk met elkaar.
Is werken bij de bibliotheek anders dan in andere sectoren? Wat is het verschil?
Ik ben geneigd meer te kijken naar overeenkomsten dan naar verschillen, maar als ik toch iets moet noemen, denk ik dat de bibliotheek met haar infrastructuur en activiteiten misschien nog wel het dichtst bij de mensen staat. We zijn altijd in de buurt en stellen ons zo laagdrempelig mogelijk op. Een ziekenhuis komt in beeld als het niet goed met je gaat, maar de bibliotheek is er altijd voor iedereen.
Ook musea doen hard hun best om buiten de eigen muren zichtbaar te zijn, maar de bibliotheek is daar al wel een stuk verder in. Van oudsher staan wij al dichter bij de burger, en daarin ligt ook onze kracht. We hebben met honderddertig bibliotheekorganisaties en acht POI’s een prachtige infrastructuur liggenen daar moeten we gebruik van maken.
Wat zijn je ambities binnen het directeurschap?
Zowel in de stad als in een dorp kan de bibliotheek zoveel voor mensen betekenen. We hebben ons ontwikkeld tot een brede organisatie die mensen kan helpen zich verder te ontwikkelen en andere mensen te ontmoeten. Daarin ligt ook een uitdaging: we doen er alleen maar dingen bij, maar er gaat nooit iets af. Dat is onze kracht, maar ook onze valkuil. Daarom is het belangrijk dat we een professionele organisatie hebben staan – op de bibliotheeklocaties, maar ook achter de schermen.
Was je altijd al een lezer?
Ik ben in Groningen en Drenthe opgegroeid – we zijn in mijn jeugd een aantal keren verhuisd, vanwege het werk van mijn vader. Lezen stond bij ons altijd hoog op de agenda: in ons huis stonden veel boekenkasten. Dat was niet alleen hoge literatuur, maar ook strips.
We waren altijd lid van de bieb. Soms gingen we naar de bibliobus: heel belangrijk, want dat was de manier waarop we laagdrempelig toegang hadden tot boeken. Een echt hoogtepunt was een bezoekje aan de boekhandel: dan mochten mijn broertjes en ik alle drie een boek uitzoeken. Dat stimuleerde me om vanaf jonge leeftijd mijn eigen smaak te ontwikkelen. Ik ben nog steeds gek op kinderboeken: de combinatie van tekst en beeld blijft voor mij enorm aantrekkelijk.
Hoe zag je schooltijd eruit?
De middelbare school was voor mij een heerlijke periode. Ik zat op een vrij streng lyceum, maar dankzij veel goede vriendinnen, mooie vakanties en veel sporten had ik een heel leuke tijd. Mede dankzij de stimulering van mijn ouders besloot ik vormgeving als eindexamenvak te kiezen en vervolgens naar de kunstacademie te gaan.
Na twee jaar concludeerde ik dat dat toch niet voor mij was. Ik heb wel de lerarenvariant van die opleiding afgemaakt en ben verder gaan studeren in Groningen, waar ik Kunst & Kunstbeleid deed. Dat was een mooie combinatie van kunstgeschiedenis en bedrijfskunde: ik volgde bij beide opleidingen allerlei interessante vakken. Dat maakte me alleen maar enthousiaster om in de cultuursector aan de slag te gaan.
Hoe is je loopbaan verlopen?
Het laatste deel van mijn studie voltooide ik in Schotland, waar ik stage liep bij het City Art Centre in Edinburgh. Een tentoonstellingsorganisatie, beheerder van de collectie van de stad en beleidsbureau in één. Dat was een fantastische plek, waar ik mijn eerste stappen als beleidsadviseur zette. Toen ik terugkwam in Nederland en op zoek was naar een baan, werd ik – mede dankzij die ervaring – aangenomen bij de provincie Drenthe als beleidsadviseur musea en beeldende kunst. Daar was toen veel gaande, onder andere met een uitbreiding van het Drents Museum. Die politiek-bestuurlijke processen vond ik enorm interessant. Ook kreeg ik de kans te snuffelen aan de museale wereld, waarin ik later zou gaan werken.
Ik heb het zevenenhalf jaar enorm naar mijn zin gehad, maar toen wilde ik er weer op uit. Ik had mijn bedrijfskundige kennis voor mijn gevoel nog niet voldoende kunnen inzetten, had ik het idee. Daarom ben ik bij EY, toen nog Ernst & Young, als adviseur aan de slag gegaan. Daar hield ik me ook bezig met zorgdossiers en daar was toen – we schrijven 2005 – een hoop in te doen. Dat vond ik heerlijk: je moet mij niet op de winkel laten passen, dan ga ik me vervelen. Gelukkig is de wereld continu in beweging en moet je als leidinggevende daarin meebewegen. Vroeger kon je een antwoord formuleren op een vraagstuk waarmee je wel tien jaar vooruit kon, maar tegenwoordig volgen de ontwikkelingen zich daarvoor veel te snel op.
Toch bleef je niet bij EY…
Ik had inmiddels een jong gezin, maar ik was ook veel onderweg. Toen mijn kinderen groter werden, begonnen zij daar steeds meer van te merken. Daarom besloot ik op zoek te gaan naar een baan in de buurt van ons huis in het noorden. Ik kwam in de zorg te werken, als manager bij Treant Zorggroep. Het was een tijd van fusies van ziekenhuizen en ontwikkelingen in de ouderenzorg, dus ik zat helemaal op mijn plek. Bovendien kon ik mijn kennis over de zorg die ik bij EY had opgedaan daar goed toepassen. De zorgsector is een bijzondere wereld, met zoveel verschillende soorten medewerkers. Ik vond het bijna verslavend daar rond te lopen: ik voelde elke dag weer hoe belangrijk het is om de zorg toegankelijk te maken en te houden, met name in een regio waar de toegankelijkheid van de zorg behoorlijk onder druk stond. Ziekenhuizen dreigden te verdwijnen, waardoor burgers soms veel verder moesten gaan reizen en dat leverde onrust op.
Toen maakte je de overstap naar de museumsector…
Na een aantal jaar – ik was inmiddels achter in de veertig – begon ik na te denken: wat wil ik nog doen in mijn carrière? Toen kwam de vacature voor zakelijk directeur van het Groninger Museum voorbij. Dat leek me de perfecte kans om mijn cultuurhart weer te laten spreken. Het was een gekke tijd: toen ik deze overstap wilde maken, brak net de coronacrisis uit. Daardoor duurde de hele sollicitatieprocedure meer dan een halfjaar, maar uiteindelijk was ik toch echt de gekozen kandidaat. Inmiddels had ik mijn collega-directeur ook goed leren kennen en ik had het idee dat we mooi op één lijn zaten.
In de vier jaar dat we samen het museum hebben gerund, zaten we voor een belangrijk deel in de coronacrisis. Het is krankzinnig hoe vaak we onze deuren mochten openen en weer moesten sluiten en welke aanpassingen we steeds moesten doen. Ik keek toen wel met jaloezie naar de goede lobby die bibliotheken in die tijd voerden: die werden erkend als essentiële voorziening en mochten uiteindelijk open blijven, terwijl veel van de argumenten om dat te doen wat mij betreft net zo goed voor musea golden.
Hoe kwam je bij de bibliotheek terecht?
We hebben in die coronaperiode bij het Groninger Museum veel gedaan aan het professionaliseren van de organisatie, met oog voor ons brede maatschappelijke takenpakket. Tegelijkertijd bleef ik kijken naar de bibliotheeksector en zag ik zelfs collega-museumdirecteuren de overstap naar die branche maken. Toen ik de vacature voor directeur-bestuurder van Biblionet Drenthe voorbij zag komen, besloot ik te solliciteren. Daar hoopte ik dezelfde impact te kunnen maken waaronder ik ook in de zorg en de museale wereld mijn schouders had gezet.
Wat was je eerste indruk van de bieb?
Ik zag dezelfde enorme betrokkenheid van werknemers als ik op mijn eerdere werkplekken had gezien. In het ene geval gaat het om zorg aan een bed en in het andere om het collectioneren van boeken, maar allemaal hebben we hetzelfde doel: de burger gezonder en gelukkiger maken. Dat doe je het liefst zo dicht mogelijk bij die inwoners, met je poten in de klei.
We staan als bibliotheekbranche op een kruispunt: nu moeten we laten zien dat we die brede maatschappelijke functie ook kunnen waarmaken. Opeens kan er van alles waarvan we heel lang hebben gedroomd. Dat geeft energie, maar het schept ook verwachtingen.
Wat is je indruk van de bibliotheeksector in de breedte?
Ik had in het begin wel wat hulp nodig bij alle afkortingen. Als ik notulen zat te lezen van de VOB of SPN, pakte ik vaak het afkortingenlijstje op Intranet erbij. Niet alleen ik loop daartegenaan: we krijgen steeds meer instroom van mensen die geen bibliotheekachtergrond hebben. Lange tijd was er geen opleiding om hen bij te scholen. We krijgen vaak enorm veel reacties op vacatures, dus we staan bekend als een aantrekkelijke werkgever, maar vervolgens moeten we ze wel zien te houden. Onze branche is geen makkelijke om snel te begrijpen: van al die verschillende taken tot de vele financieringsstromen. Ik ben wel vaker naar een andere sector overgestapt, maar de bibliotheekbranche vroeg wel wat extra’s van me. Gelukkig ben ik nieuwsgierig aangelegd en ga ik graag op pad.
Is werken bij de bibliotheek anders dan in andere sectoren? Wat is het verschil?
Ik ben geneigd meer te kijken naar overeenkomsten dan naar verschillen, maar als ik toch iets moet noemen, denk ik dat de bibliotheek met haar infrastructuur en activiteiten misschien nog wel het dichtst bij de mensen staat. We zijn altijd in de buurt en stellen ons zo laagdrempelig mogelijk op. Een ziekenhuis komt in beeld als het niet goed met je gaat, maar de bibliotheek is er altijd voor iedereen.
Ook musea doen hard hun best om buiten de eigen muren zichtbaar te zijn, maar de bibliotheek is daar al wel een stuk verder in. Van oudsher staan wij al dichter bij de burger, en daarin ligt ook onze kracht. We hebben met honderddertig bibliotheekorganisaties en acht POI’s een prachtige infrastructuur liggenen daar moeten we gebruik van maken.
Wat zijn je ambities binnen het directeurschap?
Zowel in de stad als in een dorp kan de bibliotheek zoveel voor mensen betekenen. We hebben ons ontwikkeld tot een brede organisatie die mensen kan helpen zich verder te ontwikkelen en andere mensen te ontmoeten. Daarin ligt ook een uitdaging: we doen er alleen maar dingen bij, maar er gaat nooit iets af. Dat is onze kracht, maar ook onze valkuil. Daarom is het belangrijk dat we een professionele organisatie hebben staan – op de bibliotheeklocaties, maar ook achter de schermen.
Foto: Gea Schenk
Esther Moesker: ‘Ik werk met ontzettend kundige collega’s, dus ik heb alle vertrouwen dat zij weten hoe ze het moeten aanpakken.’
Bibliotheekblad 1 • januari 2026
Sinds 1 januari 2025 staat Esther Moesker aan het hoofd van Biblionet Drenthe, bibliotheekorganisatie en POI in één. Daar kan ze mooi verder bouwen op de ervaring die ze in de zorg en in de museumsector heeft opgedaan. De gemene deler: haar tomeloze inzet voor de toegankelijkheid van lokale voorzieningen, die de burger helpen zich nog verder te ontwikkelen.
‘Je moet mij niet op de winkel laten passen’
Esther Moesker, directeur-bestuurder Biblionet Drenthe
TEKST: ANNE Louïse VAN DEN DOOL • FOTO’S: ZIE CREDITS langs zijkant
MANAGEMENT
Esther Moesker samen met haar gezin in 2023 tijdens de Rugby World Cup in Frankrijk.
Was je altijd al een lezer?
Ik ben in Groningen en Drenthe opgegroeid – we zijn in mijn jeugd een aantal keren verhuisd, vanwege het werk van mijn vader. Lezen stond bij ons altijd hoog op de agenda: in ons huis stonden veel boekenkasten. Dat was niet alleen hoge literatuur, maar ook strips.
We waren altijd lid van de bieb. Soms gingen we naar de bibliobus: heel belangrijk, want dat was de manier waarop we laagdrempelig toegang hadden tot boeken. Een echt hoogtepunt was een bezoekje aan de boekhandel: dan mochten mijn broertjes en ik alle drie een boek uitzoeken. Dat stimuleerde me om vanaf jonge leeftijd mijn eigen smaak te ontwikkelen. Ik ben nog steeds gek op kinderboeken: de combinatie van tekst en beeld blijft voor mij enorm aantrekkelijk.
Hoe zag je schooltijd eruit?
De middelbare school was voor mij een heerlijke periode. Ik zat op een vrij streng lyceum, maar dankzij veel goede vriendinnen, mooie vakanties en veel sporten had ik een heel leuke tijd. Mede dankzij de stimulering van mijn ouders besloot ik vormgeving als eindexamenvak te kiezen en vervolgens naar de kunstacademie te gaan.
Na twee jaar concludeerde ik dat dat toch niet voor mij was. Ik heb wel de lerarenvariant van die opleiding afgemaakt en ben verder gaan studeren in Groningen, waar ik Kunst & Kunstbeleid deed. Dat was een mooie combinatie van kunstgeschiedenis en bedrijfskunde: ik volgde bij beide opleidingen allerlei interessante vakken. Dat maakte me alleen maar enthousiaster om in de cultuursector aan de slag te gaan.
Hoe is je loopbaan verlopen?
Het laatste deel van mijn studie voltooide ik in Schotland, waar ik stage liep bij het City Art Centre in Edinburgh. Een tentoonstellingsorganisatie, beheerder van de collectie van de stad en beleidsbureau in één. Dat was een fantastische plek, waar ik mijn eerste stappen als beleidsadviseur zette. Toen ik terugkwam in Nederland en op zoek was naar een baan, werd ik – mede dankzij die ervaring – aangenomen bij de provincie Drenthe als beleidsadviseur musea en beeldende kunst. Daar was toen veel gaande, onder andere met een uitbreiding van het Drents Museum. Die politiek-bestuurlijke processen vond ik enorm interessant. Ook kreeg ik de kans te snuffelen aan de museale wereld, waarin ik later zou gaan werken.
Ik heb het zevenenhalf jaar enorm naar mijn zin gehad, maar toen wilde ik er weer op uit. Ik had mijn bedrijfskundige kennis voor mijn gevoel nog niet voldoende kunnen inzetten, had ik het idee. Daarom ben ik bij EY, toen nog Ernst & Young, als adviseur aan de slag gegaan. Daar hield ik me ook bezig met zorgdossiers en daar was toen – we schrijven 2005 – een hoop in te doen. Dat vond ik heerlijk: je moet mij niet op de winkel laten passen, dan ga ik me vervelen. Gelukkig is de wereld continu in beweging en moet je als leidinggevende daarin meebewegen. Vroeger kon je een antwoord formuleren op een vraagstuk waarmee je wel tien jaar vooruit kon, maar tegenwoordig volgen de ontwikkelingen zich daarvoor veel te snel op.
Toch bleef je niet bij EY…
Ik had inmiddels een jong gezin, maar ik was ook veel onderweg. Toen mijn kinderen groter werden, begonnen zij daar steeds meer van te merken. Daarom besloot ik op zoek te gaan naar een baan in de buurt van ons huis in het noorden. Ik kwam in de zorg te werken, als manager bij Treant Zorggroep. Het was een tijd van fusies van ziekenhuizen en ontwikkelingen in de ouderenzorg, dus ik zat helemaal op mijn plek. Bovendien kon ik mijn kennis over de zorg die ik bij EY had opgedaan daar goed toepassen. De zorgsector is een bijzondere wereld, met zoveel verschillende soorten medewerkers. Ik vond het bijna verslavend daar rond te lopen: ik voelde elke dag weer hoe belangrijk het is om de zorg toegankelijk te maken en te houden, met name in een regio waar de toegankelijkheid van de zorg behoorlijk onder druk stond. Ziekenhuizen dreigden te verdwijnen, waardoor burgers soms veel verder moesten gaan reizen en dat leverde onrust op.
Toen maakte je de overstap naar de museumsector…
Na een aantal jaar – ik was inmiddels achter in de veertig – begon ik na te denken: wat wil ik nog doen in mijn carrière? Toen kwam de vacature voor zakelijk directeur van het Groninger Museum voorbij. Dat leek me de perfecte kans om mijn cultuurhart weer te laten spreken. Het was een gekke tijd: toen ik deze overstap wilde maken, brak net de coronacrisis uit. Daardoor duurde de hele sollicitatieprocedure meer dan een halfjaar, maar uiteindelijk was ik toch echt de gekozen kandidaat. Inmiddels had ik mijn collega-directeur ook goed leren kennen en ik had het idee dat we mooi op één lijn zaten.
In de vier jaar dat we samen het museum hebben gerund, zaten we voor een belangrijk deel in de coronacrisis. Het is krankzinnig hoe vaak we onze deuren mochten openen en weer moesten sluiten en welke aanpassingen we steeds moesten doen. Ik keek toen wel met jaloezie naar de goede lobby die bibliotheken in die tijd voerden: die werden erkend als essentiële voorziening en mochten uiteindelijk open blijven, terwijl veel van de argumenten om dat te doen wat mij betreft net zo goed voor musea golden.
Hoe kwam je bij de bibliotheek terecht?
We hebben in die coronaperiode bij het Groninger Museum veel gedaan aan het professionaliseren van de organisatie, met oog voor ons brede maatschappelijke takenpakket. Tegelijkertijd bleef ik kijken naar de bibliotheeksector en zag ik zelfs collega-museumdirecteuren de overstap naar die branche maken. Toen ik de vacature voor directeur-bestuurder van Biblionet Drenthe voorbij zag komen, besloot ik te solliciteren. Daar hoopte ik dezelfde impact te kunnen maken waaronder ik ook in de zorg en de museale wereld mijn schouders had gezet.
Wat was je eerste indruk van de bieb?
Ik zag dezelfde enorme betrokkenheid van werknemers als ik op mijn eerdere werkplekken had gezien. In het ene geval gaat het om zorg aan een bed en in het andere om het collectioneren van boeken, maar allemaal hebben we hetzelfde doel: de burger gezonder en gelukkiger maken. Dat doe je het liefst zo dicht mogelijk bij die inwoners, met je poten in de klei.
We staan als bibliotheekbranche op een kruispunt: nu moeten we laten zien dat we die brede maatschappelijke functie ook kunnen waarmaken. Opeens kan er van alles waarvan we heel lang hebben gedroomd. Dat geeft energie, maar het schept ook verwachtingen.
Wat is je indruk van de bibliotheeksector in de breedte?
Ik had in het begin wel wat hulp nodig bij alle afkortingen. Als ik notulen zat te lezen van de VOB of SPN, pakte ik vaak het afkortingenlijstje op Intranet erbij. Niet alleen ik loop daartegenaan: we krijgen steeds meer instroom van mensen die geen bibliotheekachtergrond hebben. Lange tijd was er geen opleiding om hen bij te scholen. We krijgen vaak enorm veel reacties op vacatures, dus we staan bekend als een aantrekkelijke werkgever, maar vervolgens moeten we ze wel zien te houden. Onze branche is geen makkelijke om snel te begrijpen: van al die verschillende taken tot de vele financieringsstromen. Ik ben wel vaker naar een andere sector overgestapt, maar de bibliotheekbranche vroeg wel wat extra’s van me. Gelukkig ben ik nieuwsgierig aangelegd en ga ik graag op pad.
Hoe zou je je leiderschapsstijl typeren?
Ik ga voor resultaat, maar altijd in verbinding. Ik weet dat het geen zin heeft om in mijn eentje heel hard te gaan rennen. Ik vraag altijd aan medewerkers: wat hebben jullie nodig om dit voor elkaar te krijgen? Ik werk met ontzettend kundige collega’s, dus ik heb alle vertrouwen dat zij weten hoe ze het moeten aanpakken. Dat moet ook wel: ik kan niet op 35 locaties tegelijkertijd zijn. Voor zulk eigenaarschap zijn goede afspraken nodig.
Op welke prestatie ben je trots?
Mijn kinderen zijn mijn grootste trots. Hun welzijn staat voor mij op één. Zonder mijn gezin als basis had ik al dit werk nooit kunnen doen.
Verder heeft mijn jaar in Schotland me veel gebracht. Ik ging daar in mijn eentje naartoe en moest mijn hele leven daar opnieuw opbouwen. Weten dat je dat kunt, helpt je de rest van je leven door moeilijke tijden heen.
Ook mijn jaren bij EY waren heel waardevol. Ik heb daar ontzettend veel geleerd. Ik kan iedereen aanbevelen eens een paar jaar in de consultancy rond te lopen: je leert organisaties razendsnel kennen en begrijpen. Ik heb daar een onderbuikgevoel ontwikkeld dat me nu als directeur-bestuurder heel goed van pas komt.
Als ik terugkijk naar mijn zorgperiode, ben ik trots dat we in regio’s waar de ziekenhuizen onder druk stonden, de zorg toch goed hebben weten te organiseren, bijvoorbeeld door bepaalde zorgtaken als ziekenhuis bij de huisarts in de praktijk te gaan organiseren. In een vrij traditionele en gesegmenteerde sector hebben we het voor elkaar gekregen om mensen meer in netwerken te laten denken en werken.
Natuurlijk was het ook een eer voor mij dat ik als Groningse vier jaar zakelijk directeur mocht zijn van het Groninger Museum. Als je dat vroeger tegen me had gezegd, had ik je waarschijnlijk niet geloofd. De museale wereld is zo bijzonder: je runt de organisatie samen met allerlei typen mensen– van razend creatieve kunstenaars tot beveiligers die de objecten in de gaten moeten houden. Je werkzaamheden variëren van visionair tot heel praktisch: op het ene moment ben je bezig met de ontwikkeling van een nieuwe tentoonstelling, het volgende moment is het toilet verstopt en moet dat worden opgelost.
Heb je hobby’s?
Mijn kinderen wonen niet meer thuis, dus ik heb inmiddels weer wat meer tijd voor mezelf. Natuurlijk bezoek ik graag musea – ik ben dol op beeldende kunst. Daarnaast lees ik natuurlijk graag boeken, maar ik kijk net zo graag naar de plaatjes. Doe mij maar een mooi vormgegeven koffietafelboek of een managementboek. Verder ben ik behoorlijk sportief: ik doe nog mee aan de hockeycompetitie, ga vaak naar de sportschool en doe aan golf. Daarnaast vind je mij vaak in de keuken: van Italië tot Indisch, ik vind het allemaal heerlijk. Ook ben ik toezichthouder: ik zit in de raad van toezicht van een kinderopvangorganisatie en tot voor kort van een zorgadviesinstelling. Daar leer ik ook veel van wat me in de bibliotheek goed van pas komt: daar zit ik aan de andere kant van de tafel.
Wat is je lievelingsboek of -film?
Ik ben gek op managementboeken in de breedste zin van het woord: ik ben dol op zelfontwikkeling. Verder vind ik het boek van Miek Swamborn getiteld Onderling – Langs de kustlijn van Mull een echte aanrader. Daar komt van alles in samen: natuur, kunst, cultuur en natuurlijk Schotland. Qua films houd ik het meest van detectives en dan vooral Europese.
Wat je is je favoriete vakantiebestemming?
Ik ga het liefst naar Italië en Schotland. Beide plekken hebben sinds mijn jonge jaren al een plekje in mijn hart. Ik ben dol op de natuur die je daar vindt: zo onbegrensd en ruig vind je die in Nederland niet. Dat maakt soms ook dat in een afgelegen dorp niet altijd alle voorzieningen te vinden zijn die je als burger nodig hebt. De bibliotheek is op zulke plekken zo belangrijk.
Italië voelt voor mij als thuiskomen. Zodra we de grens over zijn, stappen we uit bij een tankstation om het eerste kopje heerlijk verse koffie te halen. In Italië ben ik altijd vrolijk, dankzij het heerlijke klimaat, de prachtige taal en de goede wijn. Mijn liefde voor Schotland zit dieper: daar ben ik volwassen geworden.
Wat weten maar weinig mensen over jou?
Ik heb in mijn studententijd gerugbyd en kijk nog steeds graag wedstrijden. Je ziet zoveel broederschap in die sport – op het veld en daarbuiten. Waar ik ook kom, als ik zeg dat ik van rugby houd, maak ik vrienden met andere liefhebbers, ook als je van een andere partij bent. En: omdat je de bal niet naar voren mag gooien, ontstaat er in het veld een andere dynamiek. Om te kunnen winnen, heb je allerlei types nodig: grote sterke teamleden, maar ook kleine types – net als in het werk en in de wereld als geheel. Je hebt iedereen nodig: je doet het uiteindelijk met elkaar.