Op het Stripfestival van Breda werd in 2016 het idee gelanceerd een Stripmaker des Vaderlands aan te stellen. De eerste die deze eer te beurt viel was Margreet de Heer (2017-2020). Zij stelde zich ten doel strips op de literatuurlijst van middelbare scholen te krijgen.
Haar opvolger Herman Roozen (2021-2023) ijverde voor meer strips in de bibliotheek. Jan Vriends (2024-2026) wil het vak van strips maken onder de aandacht van een zo groot mogelijk publiek brengen en organisaties inspireren een stripmaker in te schakelen.
Vriends staat open voor verzoeken van bibliotheken om een lezing over het vak te geven:
janvriends@mac.com
Een speedworkshop strip tekenen, gegeven door Jan Vriends, Stripmaker des Vaderlands.
Jan Vriends, Stripmaker des Vaderlands
Jan Vriends (Helmond, 1970) is de derde Stripmaker des Vaderlands. Onder het motto ‘Strips, een serieuze zaak!’ brengt hij van 2024 tot en met 2026 zijn vak onder de aandacht van een zo groot mogelijk publiek. Ook moedigt hij potentiële opdrachtgevers aan om met een stripmaker in zee te gaan. Achterliggend idee bij zijn campagne: ‘Ik spring graag in de bres voor mijn collega’s. Dat is immers veel leuker dan voor jezelf opkomen.’
‘Ik wil de vraag naar strips opstuwen’
… des Vaderlands / stripboeken / graphic novels
Tekst en foto's: Eimer Wieldraaijer
• Video: www.youtube.com/@JanVriends
Sinds 2007 maak je de Roos Vink-strip – sinds 2011 staat deze wekelijks in Tina – over het gevoelsleven van een brugpieper. Droogt die bron van inspiratie nooit op?
‘Mijn kinderen zitten nog op de middelbare school. Ik kom zelf ook vaak op scholen. Het is een blijvende bron van inspiratie. Je kunt er eindeloos grappen over maken, dat raakt nooit op. Juist omdat het onderwerp mij aan het hart gaat. Als ze mij zouden vragen voor een voetbalstrip, zou het me echt moeite kosten om elke week een plotje te bedenken. Dat is mijn wereld niet. De brugklas is wel mijn wereld. Ik herinner me die tijd als de dag van gisteren. Zo bijzonder wat je allemaal meemaakt. Mijn vader was docent. Die kwam altijd met verhalen thuis. Mijn kinderen maken van alles mee. De onderwerpen lopen thuis rond.’
Je bent tekenaar en schrijver. Wat voel je je het meest?
‘Schrijver. Alles begint met schrijven, met het verhaal. Als ik een strip maak, schrijf ik eerst de dialogen op. Die zijn leidend. Daar rolt de tekening als vanzelf uit. De grootte van de ballonnetjes wordt bepaald door de tekst die erin komt.’
We ontmoeten elkaar in een huis vol verhalen: de bibliotheek van Helmond.
‘Wat een rijkdom zie ik hier om me heen. Toch lees ik zelf weinig. Ik heb daar gewoon geen tijd voor. Mijn vrouw en jongste dochter zijn bij deze bieb kind aan huis. Wel geef ik als Stripmaker des Vaderlands incidenteel een lezing in de bibliotheek. Ik zou het leuk vinden meer van dergelijke uitnodigingen te krijgen. Wat me natuurlijk deugd doet, is dat mijn stripboeken in veel bibliotheekcollecties te vinden zijn. Als er een nieuw album uit is, meldt mijn uitgever meestal: er zijn weer vierhonderd exemplaren besteld door NBD Biblion. Dat is reden voor een feestje. Storyworld in Forum Groningen maakt sinds 2022 een top tien van meest uitgeleende stripboeken. Daarna volgt er een publieksstemming en zo komt men tot de Storyworld Publieksprijs. Dat mijn Roos Vink-boeken te vinden waren in de top tien vind ik eervol, hoewel de prijs helaas aan mijn neus is voorbijgegaan.’
Wat zijn je ervaringen als Stripmaker des Vaderlands?
‘Ik merk dat deuren makkelijker opengaan. De afgelopen periode was ik vooral reuring aan het maken voor de Stripmakersdagen. Dat evenement vond op 12 en 13 oktober plaats in De Cacaofabriek in Helmond, een cultureel centrum vlak bij het centraal station. Op zaterdag was er overdag een congres voor potentiële opdrachtgevers en stripmakers. ’s Avonds was er een stripboekenbal. Ook werd er een portfoliomarkt gehouden, waar stripmakers hun werk konden laten zien.’
De tijdschriftensector kampt met dalende oplagecijfers.
‘Het is geen vetpot meer. Daarom zeg ik: kijk als stripmaker niet alleen naar kranten en tijdschriften, maar ook naar bedrijven die nieuwsbrieven en jaarverslagen uitbrengen. Oriënteer je breder. Ook buiten de reguliere media zijn leuke opdrachten te vinden.’
Merk jij zelf ook dat het budget terugloopt? Een strip is voor een redactie relatief duur …
‘Het maken van een strip kost tijd. Aan een pagina ben je algauw een dag of twee kwijt, terwijl je een column in pakweg een uur schrijft. Een stripmaker maakt meters, en dat kost tijd. Helaas zie ik dat de markt verschraalt, dat er steeds minder strips verschijnen. Een hoofdredacteur die op de centen moet letten ziet wat hij kwijt is aan een strip, en besluit dan deze door een column te vervangen. Hij ontvangt tien boze lezersbrieven, maar weet: dat waait wel over. Wat hij vergeet, is dat een strip altijd tot de meest gelezen blad- of krantonderdelen behoort. De lezer houdt van stripkarakters, die houdt van Elsje en Sigmund. Dat is geen strookje met een plaatje en een praatje, maar een geliefd personage.’
Stel dat jij directeur van deze bibliotheek zou zijn, wat zou je dan als eerste veranderen?
‘De stripverhalen staan hierboven op de eerste verdieping bij de kinderboeken. Dat is weer zo’n verkeerde aanname. Strips zijn niet alleen voor kinderen. Dat is allang niet meer zo. Mijn voorganger, Herman Roozen, heeft zich sterk gemaakt om meer strips in de bieb te krijgen. Een mooi initiatief, maar wat ik als bibliotheekdirecteur zou doen, weet ik niet. Daarvoor ben ik te weinig thuis in die wereld. Het hangt er ook vanaf welke opdracht je als gesubsidieerde instelling mee krijgt? Moet je meer publiek trekken? Dan richt je daar je vizier op.’
Koester je nog een bepaalde droom?
‘Ik ben blij met hoe het nu gaat. Ik heb aan de Tina een vaste opdrachtgever. Een tijdje geleden zei mijn zoon – behalve een jongen hebben mijn vrouw en ik vier dochters: “Waarom maak jij alleen maar strips voor meisjes?” Toen dacht ik: je hebt gelijk, nu ga ik het verhaal dat al achttien jaar door mijn hoofd speelt eindelijk uitwerken. Dat werd de graphic novel Kosmonaut. Ik heb er tweeënhalf jaar over gedaan, maar het boek is uit. Toen ik het af had, zei ik tegen mijn vrouw: “Nu kan ik sterven.” Waarop zij zei: “Doe nog maar even niet.” En wat je vraag over een wensdroom betreft: ik zou het leuk vinden als Kosmonaut in een andere taal vertaald wordt of zelfs een keer verfilmd. Dat zou ik wel heel leuk vinden.’
Als stripmaker hoef je nooit met pensioen te gaan …
‘Toch zal het tekenen op den duur waarschijnlijk minder gaan. Artrose is geen onbekend fenomeen in mijn familie.’ Lachend: ‘Dan beperk ik mij tot schrijven en word ik columnist.’
Zie je tegen dat moment op?
‘Nee, ik ben heel nuchter. Aan alles komt een eind.’
Behalve strips maak je ook muziek en doe je aan cabaret …
‘Verbindende factor is dat het gaat om verhalen vertellen. Daar zoek ik het passende medium voor. Er zijn bijvoorbeeld ook periodes dat ik schilder. Op een ander moment maak ik liedjes. Ik laat mij niet vastpinnen in hokjes, maar op dit moment zijn het vooral strips.’
Vertel je verhalen over wat je allemaal meemaakt?
‘Tweeëntwintig jaar geleden heb ik mijn vrouw leren kennen. Als je in de dertig bent en verliefd raakt, ga je liedjes schrijven, maar nu mijn leven wat meer voortkabbelt zie ik mezelf niet zo gauw meer liefdesliedjes schrijven. Dan komen er andere verhalen. Je kinderen worden groot, je ouders gaan dood. Je zit in een andere fase en je hebt niet langer de hoofdrol.’
Wat doet een Stripmaker des Vaderlands?
‘Ik geef lezingen voor oprecht geïnteresseerden. Bijvoorbeeld voor stripmakers die meer willen weten over story telling, meidenstrips of wat dan ook. Tijdens mijn campagne wil ik duidelijk maken hoe complex het vak van stripmaker is. Het is echt een ambacht. Kort door de bocht genomen zijn er tweehonderd professionele en semiprofessionele stripmakers in Nederland. Die hebben vrijwel allemaal moeite om het hoofd boven water te houden. Er zijn er hooguit twintig die er echt van kunnen leven, de rest doet er van alles bij. Daarom ben ik voorlichting aan het geven over hoe bijzonder en veelzijdig dit vak is. Een stripmaker kan immers tekenen én schrijven, dat beseffen weinigen. Stripmakers creëren hun eigen wereld. In die zin zijn het aparte gasten. Het autisme is vaak niet ver weg, zal ik maar zeggen. Juist daardoor hebben ze iets unieks: als je als organisatie een stripmaker voor je wint, haal je goud in huis. Dan heb je iemand die verhalen, personages en fans voor jouw medium, bedrijf of instelling creëert. Ambassadeur van mijn vak, zo zie ik mijn taak. Ik wil de vraag naar strips opstuwen, meer werk voor mijn collega’s scheppen. Vandaar mijn vraag: staat er een strip in Bibliotheekblad? Niet? Gemiste kans. Ga op zoek naar een stripmaker die van boeken en bibliotheken houdt.’
Zou jij een strip voor Bibliotheekblad kunnen maken?
‘Ik heb wel iets met de materie, maar zou het, zoals gezegd, eerder een collega gunnen. Iemand die vaker dan ik in de bibliotheek komt. Iemand die beter op de hoogte is van alles wat er speelt in jullie sector. Een boekenwurm bedenkt een veel leukere strip dan ik.’
Wordt het vak van stripmaker nog steeds ondergewaardeerd?
‘De stripwereld is een kleinere wereld dan de boekenwereld. Er zijn minder knikkers. Er is minder financiële armslag om campagnes te voeren, maar de erkenning is er wel, zeker bij de stripliefhebbers. Een keer per jaar is er in pretpark Duinrell bij Den Haag het Tina-festival. Daar komen dertienduizend meiden. Dan zit ik twee dagen lang poppetjes voor die meiden te tekenen. In boeken, op petjes, T-shirts, tasjes, je kunt het zo gek niet bedenken.’
Sinds zijn kleutertijd maakt hij al strips. Geboren en getogen Helmonder Jan Vriends: ‘Mijn oudere zussen, die toen een jaar of zes, zeven waren kregen van mijn ouders een abonnement op Tina en Donald Duck. Tegen de tijd dat ik zelf leerde lezen en schrijven had ik vier jaargangen van die tijdschriften om doorheen te spitten. Ik tekende al voordat ik kon schrijven, en zo jong als ik was wist ik: later word ik stripmaker. Die wens is nooit veranderd. Ik heb van alles gedaan, maar de rode draad in mijn bestaan is en blijft strips maken.’
Zit de liefde voor strips in de familie?
‘Niet echt. Mijn vader was docent en wetenschapper. Mijn moeder was meer van het knutselen. Beiden hielden wel van strips. Op een gegeven moment kreeg ik een abonnement op Eppo, zodat we thuis drie stripbladen hadden. Als kind begon ik verhaaltjes van één pagina te maken. Losse grapjes. Iets wat ik aspirant-stripmakers nu nog adviseer: begin met overzichtelijke korte verhaaltjes, anders strand je in je ambities. Houd het klein en kort. Die verhaaltjes kopieerde ik bij een kantoorboekhandel. Daar maakte ik boekjes van die ik uitdeelde of verkocht.’
Welke opleiding heb je gevolgd?
‘Na de havo ben ik naar de kunstacademie gegaan. Bijna een jaar lang heb ik daar ruzie gehad over het feit dat ik stripmaker wilde worden. Volgens de docenten moest je grafisch ontwerper of autonoom kunstenaar worden, maar dat zag ik niet zitten. Binnen een jaar heb ik mijn biezen gepakt en ben ik voor mezelf begonnen. Of ik dus een autodidact ben? Ja, maar je leert ook van je collega’s. Ik lees en kijk een strip anders dan de gemiddelde lezer. Ik let bijvoorbeeld op de lijnvoering. Hoe is de compositie? Waarom heeft de stripmaker voor dit spannende of dynamische plaatje gekozen? Daarnaast ontwikkel je je eigen stijl en techniek.’
Al doende wordt iemand beter. Heb je het idee dat jij ook nu nog steeds beter wordt?
‘De verhalen die ik vertel zijn – zeker in mijn vrije werk – beter uitgebalanceerd. Niet alleen mooier, maar door je levenservaring krijgen je verhalen ook meer inhoud, diepte. Dat is fijn, want stripmaken is niet alleen mijn werk, het is ook mijn hobby. Ik krijg betaald voor de doelgroepstrips die ik de laatste jaren voor Tina maak, en daarnaast vertel ik mijn eigen verhalen. Dan denk ik niet aan de lezer, dan denk ik: hoe kan ik dit verhaal zo mooi mogelijk vertellen? Als zo’n strip goed valt bij publiek en recensenten, is dat een fantastische ervaring.’
Bibliotheekblad 8 • oktober 2024
Een speedworkshop strip tekenen, gegeven door Jan Vriends, Stripmaker des Vaderlands.
Foto: Bruno van der Kraan
Jan Vriends, Stripmaker des Vaderlands
Bibliotheekblad 8 • oktober 2024
Jan Vriends (Helmond, 1970) is de derde Stripmaker des Vaderlands. Onder het motto ‘Strips, een serieuze zaak!’ brengt hij van 2024 tot en met 2026 zijn vak onder de aandacht van een zo groot mogelijk publiek. Ook moedigt hij potentiële opdrachtgevers aan om met een stripmaker in zee te gaan. Achterliggend idee bij zijn campagne: ‘Ik spring graag in de bres voor mijn collega’s. Dat is immers veel leuker dan voor jezelf opkomen.’
‘Ik wil de vraag naar strips opstuwen’
Tekst en foto's: Eimer Wieldraaijer
• Video: www.youtube.com/@JanVriends
Op het Stripfestival van Breda werd in 2016 het idee gelanceerd een Stripmaker des Vaderlands aan te stellen. De eerste die deze eer te beurt viel was Margreet de Heer (2017-2020). Zij stelde zich ten doel strips op de literatuurlijst van middelbare scholen te krijgen.
Haar opvolger Herman Roozen (2021-2023) ijverde voor meer strips in de bibliotheek. Jan Vriends (2024-2026) wil het vak van strips maken onder de aandacht van een zo groot mogelijk publiek brengen en organisaties inspireren een stripmaker in te schakelen.
Vriends staat open voor verzoeken van bibliotheken om een lezing over het vak te geven:
janvriends@mac.com
Sinds 2007 maak je de Roos Vink-strip – sinds 2011 staat deze wekelijks in Tina – over het gevoelsleven van een brugpieper. Droogt die bron van inspiratie nooit op?
‘Mijn kinderen zitten nog op de middelbare school. Ik kom zelf ook vaak op scholen. Het is een blijvende bron van inspiratie. Je kunt er eindeloos grappen over maken, dat raakt nooit op. Juist omdat het onderwerp mij aan het hart gaat. Als ze mij zouden vragen voor een voetbalstrip, zou het me echt moeite kosten om elke week een plotje te bedenken. Dat is mijn wereld niet. De brugklas is wel mijn wereld. Ik herinner me die tijd als de dag van gisteren. Zo bijzonder wat je allemaal meemaakt. Mijn vader was docent. Die kwam altijd met verhalen thuis. Mijn kinderen maken van alles mee. De onderwerpen lopen thuis rond.’
Je bent tekenaar en schrijver. Wat voel je je het meest?
‘Schrijver. Alles begint met schrijven, met het verhaal. Als ik een strip maak, schrijf ik eerst de dialogen op. Die zijn leidend. Daar rolt de tekening als vanzelf uit. De grootte van de ballonnetjes wordt bepaald door de tekst die erin komt.’
We ontmoeten elkaar in een huis vol verhalen: de bibliotheek van Helmond.
‘Wat een rijkdom zie ik hier om me heen. Toch lees ik zelf weinig. Ik heb daar gewoon geen tijd voor. Mijn vrouw en jongste dochter zijn bij deze bieb kind aan huis. Wel geef ik als Stripmaker des Vaderlands incidenteel een lezing in de bibliotheek. Ik zou het leuk vinden meer van dergelijke uitnodigingen te krijgen. Wat me natuurlijk deugd doet, is dat mijn stripboeken in veel bibliotheekcollecties te vinden zijn. Als er een nieuw album uit is, meldt mijn uitgever meestal: er zijn weer vierhonderd exemplaren besteld door NBD Biblion. Dat is reden voor een feestje. Storyworld in Forum Groningen maakt sinds 2022 een top tien van meest uitgeleende stripboeken. Daarna volgt er een publieksstemming en zo komt men tot de Storyworld Publieksprijs. Dat mijn Roos Vink-boeken te vinden waren in de top tien vind ik eervol, hoewel de prijs helaas aan mijn neus is voorbijgegaan.’
Wat zijn je ervaringen als Stripmaker des Vaderlands?
‘Ik merk dat deuren makkelijker opengaan. De afgelopen periode was ik vooral reuring aan het maken voor de Stripmakersdagen. Dat evenement vond op 12 en 13 oktober plaats in De Cacaofabriek in Helmond, een cultureel centrum vlak bij het centraal station. Op zaterdag was er overdag een congres voor potentiële opdrachtgevers en stripmakers. ’s Avonds was er een stripboekenbal. Ook werd er een portfoliomarkt gehouden, waar stripmakers hun werk konden laten zien.’
De tijdschriftensector kampt met dalende oplagecijfers.
‘Het is geen vetpot meer. Daarom zeg ik: kijk als stripmaker niet alleen naar kranten en tijdschriften, maar ook naar bedrijven die nieuwsbrieven en jaarverslagen uitbrengen. Oriënteer je breder. Ook buiten de reguliere media zijn leuke opdrachten te vinden.’
Merk jij zelf ook dat het budget terugloopt? Een strip is voor een redactie relatief duur …
‘Het maken van een strip kost tijd. Aan een pagina ben je algauw een dag of twee kwijt, terwijl je een column in pakweg een uur schrijft. Een stripmaker maakt meters, en dat kost tijd. Helaas zie ik dat de markt verschraalt, dat er steeds minder strips verschijnen. Een hoofdredacteur die op de centen moet letten ziet wat hij kwijt is aan een strip, en besluit dan deze door een column te vervangen. Hij ontvangt tien boze lezersbrieven, maar weet: dat waait wel over. Wat hij vergeet, is dat een strip altijd tot de meest gelezen blad- of krantonderdelen behoort. De lezer houdt van stripkarakters, die houdt van Elsje en Sigmund. Dat is geen strookje met een plaatje en een praatje, maar een geliefd personage.’
Stel dat jij directeur van deze bibliotheek zou zijn, wat zou je dan als eerste veranderen?
‘De stripverhalen staan hierboven op de eerste verdieping bij de kinderboeken. Dat is weer zo’n verkeerde aanname. Strips zijn niet alleen voor kinderen. Dat is allang niet meer zo. Mijn voorganger, Herman Roozen, heeft zich sterk gemaakt om meer strips in de bieb te krijgen. Een mooi initiatief, maar wat ik als bibliotheekdirecteur zou doen, weet ik niet. Daarvoor ben ik te weinig thuis in die wereld. Het hangt er ook vanaf welke opdracht je als gesubsidieerde instelling mee krijgt? Moet je meer publiek trekken? Dan richt je daar je vizier op.’
Koester je nog een bepaalde droom?
‘Ik ben blij met hoe het nu gaat. Ik heb aan de Tina een vaste opdrachtgever. Een tijdje geleden zei mijn zoon – behalve een jongen hebben mijn vrouw en ik vier dochters: “Waarom maak jij alleen maar strips voor meisjes?” Toen dacht ik: je hebt gelijk, nu ga ik het verhaal dat al achttien jaar door mijn hoofd speelt eindelijk uitwerken. Dat werd de graphic novel Kosmonaut. Ik heb er tweeënhalf jaar over gedaan, maar het boek is uit. Toen ik het af had, zei ik tegen mijn vrouw: “Nu kan ik sterven.” Waarop zij zei: “Doe nog maar even niet.” En wat je vraag over een wensdroom betreft: ik zou het leuk vinden als Kosmonaut in een andere taal vertaald wordt of zelfs een keer verfilmd. Dat zou ik wel heel leuk vinden.’
Als stripmaker hoef je nooit met pensioen te gaan …
‘Toch zal het tekenen op den duur waarschijnlijk minder gaan. Artrose is geen onbekend fenomeen in mijn familie.’ Lachend: ‘Dan beperk ik mij tot schrijven en word ik columnist.’
Zie je tegen dat moment op?
‘Nee, ik ben heel nuchter. Aan alles komt een eind.’
Behalve strips maak je ook muziek en doe je aan cabaret …
‘Verbindende factor is dat het gaat om verhalen vertellen. Daar zoek ik het passende medium voor. Er zijn bijvoorbeeld ook periodes dat ik schilder. Op een ander moment maak ik liedjes. Ik laat mij niet vastpinnen in hokjes, maar op dit moment zijn het vooral strips.’
Vertel je verhalen over wat je allemaal meemaakt?
‘Tweeëntwintig jaar geleden heb ik mijn vrouw leren kennen. Als je in de dertig bent en verliefd raakt, ga je liedjes schrijven, maar nu mijn leven wat meer voortkabbelt zie ik mezelf niet zo gauw meer liefdesliedjes schrijven. Dan komen er andere verhalen. Je kinderen worden groot, je ouders gaan dood. Je zit in een andere fase en je hebt niet langer de hoofdrol.’
Wat doet een Stripmaker des Vaderlands?
‘Ik geef lezingen voor oprecht geïnteresseerden. Bijvoorbeeld voor stripmakers die meer willen weten over story telling, meidenstrips of wat dan ook. Tijdens mijn campagne wil ik duidelijk maken hoe complex het vak van stripmaker is. Het is echt een ambacht. Kort door de bocht genomen zijn er tweehonderd professionele en semiprofessionele stripmakers in Nederland. Die hebben vrijwel allemaal moeite om het hoofd boven water te houden. Er zijn er hooguit twintig die er echt van kunnen leven, de rest doet er van alles bij. Daarom ben ik voorlichting aan het geven over hoe bijzonder en veelzijdig dit vak is. Een stripmaker kan immers tekenen én schrijven, dat beseffen weinigen. Stripmakers creëren hun eigen wereld. In die zin zijn het aparte gasten. Het autisme is vaak niet ver weg, zal ik maar zeggen. Juist daardoor hebben ze iets unieks: als je als organisatie een stripmaker voor je wint, haal je goud in huis. Dan heb je iemand die verhalen, personages en fans voor jouw medium, bedrijf of instelling creëert. Ambassadeur van mijn vak, zo zie ik mijn taak. Ik wil de vraag naar strips opstuwen, meer werk voor mijn collega’s scheppen. Vandaar mijn vraag: staat er een strip in Bibliotheekblad? Niet? Gemiste kans. Ga op zoek naar een stripmaker die van boeken en bibliotheken houdt.’
Zou jij een strip voor Bibliotheekblad kunnen maken?
‘Ik heb wel iets met de materie, maar zou het, zoals gezegd, eerder een collega gunnen. Iemand die vaker dan ik in de bibliotheek komt. Iemand die beter op de hoogte is van alles wat er speelt in jullie sector. Een boekenwurm bedenkt een veel leukere strip dan ik.’
Wordt het vak van stripmaker nog steeds ondergewaardeerd?
‘De stripwereld is een kleinere wereld dan de boekenwereld. Er zijn minder knikkers. Er is minder financiële armslag om campagnes te voeren, maar de erkenning is er wel, zeker bij de stripliefhebbers. Een keer per jaar is er in pretpark Duinrell bij Den Haag het Tina-festival. Daar komen dertienduizend meiden. Dan zit ik twee dagen lang poppetjes voor die meiden te tekenen. In boeken, op petjes, T-shirts, tasjes, je kunt het zo gek niet bedenken.’
Sinds zijn kleutertijd maakt hij al strips. Geboren en getogen Helmonder Jan Vriends: ‘Mijn oudere zussen, die toen een jaar of zes, zeven waren kregen van mijn ouders een abonnement op Tina en Donald Duck. Tegen de tijd dat ik zelf leerde lezen en schrijven had ik vier jaargangen van die tijdschriften om doorheen te spitten. Ik tekende al voordat ik kon schrijven, en zo jong als ik was wist ik: later word ik stripmaker. Die wens is nooit veranderd. Ik heb van alles gedaan, maar de rode draad in mijn bestaan is en blijft strips maken.’
Zit de liefde voor strips in de familie?
‘Niet echt. Mijn vader was docent en wetenschapper. Mijn moeder was meer van het knutselen. Beiden hielden wel van strips. Op een gegeven moment kreeg ik een abonnement op Eppo, zodat we thuis drie stripbladen hadden. Als kind begon ik verhaaltjes van één pagina te maken. Losse grapjes. Iets wat ik aspirant-stripmakers nu nog adviseer: begin met overzichtelijke korte verhaaltjes, anders strand je in je ambities. Houd het klein en kort. Die verhaaltjes kopieerde ik bij een kantoorboekhandel. Daar maakte ik boekjes van die ik uitdeelde of verkocht.’
Welke opleiding heb je gevolgd?
‘Na de havo ben ik naar de kunstacademie gegaan. Bijna een jaar lang heb ik daar ruzie gehad over het feit dat ik stripmaker wilde worden. Volgens de docenten moest je grafisch ontwerper of autonoom kunstenaar worden, maar dat zag ik niet zitten. Binnen een jaar heb ik mijn biezen gepakt en ben ik voor mezelf begonnen. Of ik dus een autodidact ben? Ja, maar je leert ook van je collega’s. Ik lees en kijk een strip anders dan de gemiddelde lezer. Ik let bijvoorbeeld op de lijnvoering. Hoe is de compositie? Waarom heeft de stripmaker voor dit spannende of dynamische plaatje gekozen? Daarnaast ontwikkel je je eigen stijl en techniek.’
Al doende wordt iemand beter. Heb je het idee dat jij ook nu nog steeds beter wordt?
‘De verhalen die ik vertel zijn – zeker in mijn vrije werk – beter uitgebalanceerd. Niet alleen mooier, maar door je levenservaring krijgen je verhalen ook meer inhoud, diepte. Dat is fijn, want stripmaken is niet alleen mijn werk, het is ook mijn hobby. Ik krijg betaald voor de doelgroepstrips die ik de laatste jaren voor Tina maak, en daarnaast vertel ik mijn eigen verhalen. Dan denk ik niet aan de lezer, dan denk ik: hoe kan ik dit verhaal zo mooi mogelijk vertellen? Als zo’n strip goed valt bij publiek en recensenten, is dat een fantastische ervaring.’