Willemsen en Reedijk startten een grote lobby richting de overheid. Dat leidde in 1970 tot de oprichting van een studiecommissie van de overheid onder leiding van de KB met de opdracht de weg te plaveien voor de ‘Wettelijke inlevering van publikaties in Nederland’. In de commissie zaten vertegenwoordigers van de KB, de andere bibliotheken, de uitgevers en boekhandelaren én ambtenaren van de ministeries van Onderwijs, Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk en Justitie.

De uitgevers en ‘de’ Brinkman
De commissie ging voortvarend van start en de geleverde argumentatie voor een depotwet leek onweerlegbaar. De KB was in deze tijd, begin jaren zeventig, zeer optimistisch over de kans van slagen van het Nederlandse dépôt légal, waardoor Nederland zich eindelijk ‘ook in dit opzicht bij de beschaafde volken zou scharen’, zoals Arie Willemsen het in een terugblik uitdrukte.

Het optimisme werd ook gevoed door de uitstekende samenwerking met de uitgevers van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB). Je zou kunnen verwachten dat de uitgevers zouden tegenstribbelen als ze een verplichting opgelegd zouden krijgen, maar zij waren (als alle ondernemers) juist erg voor duidelijke regels van de overheid, regels die voor iedereen hetzelfde waren.

Een belangrijk fundament voor de Nederlandse cultuur en samenleving

Hoe gaat de KB de komende jaren 120 kilometer boeken verhuizen?

Cornelis Reedijk aan een podium. Fotograaf: Robert Scheers.

De KB heeft ruim 120 kilometer aan boeken, kranten en tijdschriften in het magazijn staan.

De kaft van het rapport ‘Studiecommissie wettelijk depot’, 1981.

De eerste pagina van de conceptwet wettelijk depot.

De balie van de oude KB aan het Lange Voorhout in Den Haag.

Portret van Koning Lodewijk Napoleon door Charles Howard Hodges, 1809 (Collectie Rijksmuseum).

Het ‘Depot van Nederlandse Publicaties’ bestaat dit jaar officieel 50 jaar! In dit ‘depot’ bewaart de KB alle publicaties die in Nederland zijn uitgegeven. De geschiedenis van dit Nederlandse depot is een opmerkelijk verhaal.

Vijftig jaar Depot van Nederlandse Publicaties

TOPSTUKKEN van de kb

TEKST: Arno Kuipers, collectiespecialist Nederlandse taal en letteren bij de KB. Het artikel kwam tot stand met medewerking van Gert-Jan van Velzen, collectiespecialist Depotcollectie. • Foto’s: KB Beeldstudio • Video: YouTubekanaal KB

Het depot vertegenwoordigt de norm dat niet door enkelingen of door elites van welke aard dan ook mag worden bepaald welke boeken belangrijk zijn om te bewaren en welke niet. Het depot vertegenwoordigt het principe dat alle boeken bewaard moeten worden. En hetzelfde geldt voor alle kranten en alle tijdschriften. En voor alle digitale publicaties gaat dat ook gelden, daarvoor coördineert de KB het e-depot. Dit e-depot bestond in 2022 twintig jaar.

Naschrift redactie: het toekomstige boekenmagazijn
De KB werkt aan een innovatief, nieuw boekenmagazijn waarin de nationale bibliotheek het geschreven erfgoed van Nederland duurzaam en veilig voor de toekomst kan bewaren. Het magazijn wordt gebouwd in de Harnaschpolder in de gemeente Midden-Delfland. De KB hoopt de erfgoedcollectie over enkele jaren naar het nieuwe magazijn te verhuizen. Meer informatie vind je op deze pagina van de KB. De KB heeft ook een YouTubeserie over de aankomende verhuizing. Bekijk hier aflevering 1 en aflevering 2.

En zij hadden ook een extra belang, want de uitgave van de aloude Brinkman’s Cumulatieve Catalogus van Boeken raakte in de jaren zeventig in het slop. Dat was de lijst van nieuwe boeken die de uitgevers samenstelden om de boekhandelaren te informeren, opgestart in de negentiende eeuw door Carel Leonard Brinkman. Tot in de jaren zeventig was dit een commerciële uitgave van uitgeverij Sijthoff, maar de uitgevers zagen graag dat de KB dit zou overnemen. Dit werd binnen de studiecommissie vlot geregeld. Uitgevers zouden hun nieuwe boeken niet meer opsturen naar Sijthoff, maar naar de KB waar ze zouden dienen als basis voor het nieuwe depot. En tevens werd ‘de’ Brinkman de basis voor de door de KB te verzorgen Nationale Bibliografie.

Oprichting bibliografisch centrum
Eendrachtig werkten KB en uitgevers samen. In afwachting van de wet werd in de KB in de jaren zeventig een bibliografisch centrum opgericht met een nieuwe KB-afdeling, die al spoedig zou heten ‘Afdeling Depot van Nederlandse Publikaties en Nederlandse Bibliografie’, in de wandelgangen vaak ‘de Brinkman’ genoemd. Een nieuw trefwoordensysteem werd opgetuigd voor de registratie van de nationale boekproductie. Dat systeem van de streng gecontroleerde Depot- of Brinkmantrefwoorden is nog steeds van kracht.

Ook werd een acquisitie-afdeling opgezet, want ook met een wet zou er door de KB nog flink wat speurwerk moeten worden verricht. Nog altijd wordt er gedacht dat boeken wel ‘automatisch’ naar de KB komen, maar het vergt heel veel mensenwerk. Reedijk en Willemsen hadden wel goed naar de negentiende eeuw gekeken en de haperende deponering toen. In de conceptwet die in het eindrapport van de studiecommissie was opgesteld, was ook voorzien in een artikel dat zou regelen dat de ‘KB-ambtenaren’ konden worden benoemd tot ‘beëdigd opsporingsambtenaar’. De ‘speurwerk’-afdeling van de KB zou dus direct zelf boeken mogen opeisen en boetes uitdelen als ze toch te maken kreeg met onwillige uitgevers.

Retrobeleid
Ook werd beleid voor 'retrospectief verzamelen' opgezet: het identificeren en aanvullen van lacunes in de collecties uit de depotloze periodes. De studiecommissie kwam gauw tot de conclusie dat je uitgevers niet kon verplichten uitgaven van decennia eerder alsnog verplicht te leveren, maar dat de KB daar zelf beleid voor moest ontwikkelen door middel van schenkingen en aankopen. Dit ‘retrobeleid’ is nog steeds van kracht en is in de laatste jaren zelfs geïntensiveerd in het kader van de actuele discussies over diversiteit en inclusie. Het retrobeleid repareert de bias in de selecties van de depotloze tijd.

1974: het vrijwillig depot
Ondanks alle optimisme bereikte het wetsvoorstel van de commissie de Tweede Kamer niet. De studiecommissie ontspoorde in een bureaucratisch labyrint, waarbij vooral de ambtenaren van Justitie dwarslagen. Het opeisen van een gratis exemplaar van boeken zou ‘onteigening’ zijn en tegen de Grondwet. Dat bleek niet het geval, maar eer dat was vastgesteld, waren er alweer jaren voorbij. KB en uitgevers wilden niet wachten op de stroperige ambtenarij en besloten zelf al van start te gaan. De KNUB verzocht de aangesloten uitgevers zelf aan de KB te gaan leveren en op 1 januari 1974 ging het zogeheten ‘vrijwillig depot’ van start. Van dit ‘vrijwillige depot’ vieren we nu het vijftigjarig bestaan, want deze regeling geldt tot op de dag van vandaag. In de jaren tachtig probeerden de KB en partners nog één keer om een wettelijk depot van de grond te krijgen met een uitgebreid en herzien rapport van de studiecommissie. Maar onder premier Lubbers werd definitief de stekker uit het wetsvoorstel getrokken. Eén van de redenen: het vrijwillig depot werkte goed. Het adagium werd: ‘If it ain’t broke, don’t fix it.’

Noodzaak van het depot
Arie Willemsen betreurde later wel eens de praktische daadkracht van de KB begin jaren zeventig, want door het succes van het vrijwillig depot bleef het wettelijke depot uit. Maar hoe dan ook is het vijftigjarig jubileum een heuglijk feit, want de noodzaak van een nationaal depot is onomstotelijk.

Reedijk hamerde er halverwege de jaren zestig op dat de KB dringend ruimte en middelen moest krijgen om de nationale taken te kunnen vervullen. Bij zijn afscheid in 1986 vertelde hij in NRC dat de KB aan het begin van zijn bibliothecariaat allesbehalve goed functioneerde als nationale bewaarplaats van al het gedrukte erfgoed, hij liet opschrijven:

‘Aan de belangrijkste taak van deze nationale bibliotheek, het verzamelen van alles wat in en over Nederland verschijnt, hebben de bibliothecarissen - en dat zijn er tot dusverre (in 1986,red.) slechts acht geweest - zich nooit erg veel gelegen laten liggen. Hobbyisme vierde hoogtij. De een verzamelde het liefst incunabelen, de ander begon aan een alfabetische catalogus, weer een ander schafte wat moderne studiewerken aan, en allen keken uit de hoogte neer op die “fluttroep van de keukenmeidenromans” die men als het even kon afstootte naar de openbare leeszalen.’

De KB beheerde rond 1965 uiteraard wel uitzonderlijke en imponerende Bijzondere Collecties, en een zeer uitgebreide en internationaal georiënteerde Wetenschappelijke Collectie op elk denkbaar gebied van de geesteswetenschappen, maar het bewaren van elke nieuwe Nederlandse publicatie was als nationale taak een ondergeschoven kindje.

1970: oprichting studiecommissie
Reedijk en zijn adjunct-bibliothecaris, de historicus Arie Willemsen, gingen er werk van maken. Sommige landen hadden al eeuwen een wettelijk depot, maar Nederland was wereldwijd zo langzamerhand een grote uitzondering als land zonder enige fatsoenlijke regeling. Willemsen verhaalde later wel hoe Nederlandse afgevaardigden op internationale bibliotheekcongressen soms met de nek werden aangekeken, omdat ze een land ‘zonder depot’ vertegenwoordigden. Voor veel buitenlandse bibliothecarissen was dat verbijsterend.

Ook gaf koning Lodewijk de bibliotheek officieel het predicaat ‘Koninklijke’. Er werden echter in deze tijd wel boeken ingeleverd - gedeponeerd heet dat officieel - maar de handhaving van de wet hield niet altijd over, dus niet alle boeken kwamen binnen. Na de val van Napoleon in 1815, keerde het Oranjebewind terug in Nederland onder Willem I. In 1817 werd er weer een regeling opgesteld voor verplichte deponering, maar door zowel uitgevers en drukkers als de KB zelf, werd die ook toen weer niet altijd naar de letter nageleefd. De handhaving liet nog steeds te wensen over.

1881-1912: een nieuwe auteursrechtenwet
In 1881 kwam er met een nieuwe auteursrechtenwet; een stevige impuls voor een striktere vorm van deponering: het auteursrecht werd gekoppeld aan het inleveren van de exemplaren van de uitgaven. Om als uitgever de rechten van je uitgaven te claimen en te beschermen tegen illegale kopieën, moesten er exemplaren worden ingediend bij het ministerie van Justitie.

Een van die exemplaren werd overgebracht naar de KB. Dit betekende dat een fors deel van de boekproductie nu wél in de KB terechtkwam. Deze auteursrechtexemplaren zijn in de KB-collectie nog steeds te herkennen aan de verklaringen van uitgevers en drukkers op de titelpagina en de stempels en nummeringen van het ministerie. Veel van de uitgaven van de beroemde dichters van de Tachtigers, zoals de Mei van Gorter, zijn zo de KB binnengekomen.

1912: begin van een depotloos tijdperk
In 1912 werd de auteursrechtenwet vervangen. Auteursrecht en exemplaren werden losgekoppeld: vanaf 1912 ontstaat auteursrecht bij de creatie van een werk. Een uitgever hoefde daarom vanaf 1912 geen exemplaar meer te leveren om de rechten te claimen. Daarmee viel ook de verplichte deponeringsroute naar de KB weer stil.

Vanaf 1912 kende Nederland dus geen depotregeling meer. Dat had zijn gevolgen: wat de KB binnenkwam, werd vanaf toen geselecteerd en aangekocht door de specialisten. En elke selectie heeft zijn beperkingen: deze kan geleid worden door particuliere of tijdgebonden opvattingen of meningen, bijvoorbeeld wat goede boeken zijn en wat niet. Een depotregeling verbiedt dat juist: zo’n regeling is aselect en omvat in principe alles. Het depotloze tijdperk liep tot 1974 en dat heeft ertoe geleid dat veel boeken in de KB-collectie ontbraken of nog steeds ontbreken.

Na de oorlog: bibliothecaris Kees Reedijk ijvert voor Wettelijk Depot
Na de oorlog begon het gebrek aan een moderne depotregeling zich steeds meer te wreken. De aantallen uitgegeven publicaties stegen explosief en niemand had een goed overzicht van alles wat er in Nederland verscheen. De KB begon te ijveren voor de invoering van een Wettelijk Depot in Nederland. In de jaren zestig kwam dit streven naar een echt Nederlands depot in een stroomversnelling tijdens de periode van de Bibliothecaris, zoals de KB-directeur toen nog heette, Kees Reedijk (1962-1986).

Het bewaren van alle uitgaven uit een land is de belangrijkste taak van bijna elke nationale bibliotheek in de wereld. Ook de KB heeft als nationale bibliotheek van Nederland deze taak. De bibliotheekterm voor deze bewaarfunctie is: het nationaal Depot. Dit jaar bestaat het Depot van Nederlandse Publicaties officieel 50 jaar! Dat is een heuglijk feit dat we moeten vieren, want het nationale depot is een belangrijk fundament voor de Nederlandse cultuur en samenleving.

Geschiedenis van het Nederlandse depot
De geschiedenis van het Nederlandse depot is opmerkelijk. Het is om te beginnen relatief jong. Veel andere landen hebben al veel langer een depotregeling, zoals het befaamde dépôt légal in Frankrijk, dat al sinds 1537 bestaat. Ook de KB kende in haar geschiedenis een aantal perioden met een soort depotregeling die je als voorlopers van de huidige kunt gezien.

Al bij oprichting van de KB in 1798, toen nog alleen ‘nationale bibliotheek’ geheten, was er sprake van dat zij alle boeken uit het land zou moeten verzamelen. Enkele jaren later verdween dat principe echter alweer uit het zicht en functioneerde de KB vooral als een vakbibliotheek voor de leden van het parlement in Den Haag. Toen de Fransen de boel overnamen in Nederland en wij een vazalstaat van Frankrijk werden onder koning Lodewijk Napoleon (broer van) in 1806, werd er een wet ingevoerd naar Frans model. Die eiste dat uitgevers exemplaren van hun publicaties naar de KB zouden sturen.

Bibliotheekblad 7 • september 2024

De kaft van het rapport ‘Studiecommissie wettelijk depot’, 1981.

De eerste pagina van de conceptwet wettelijk depot.

Willemsen en Reedijk startten een grote lobby richting de overheid. Dat leidde in 1970 tot de oprichting van een studiecommissie van de overheid onder leiding van de KB met de opdracht de weg te plaveien voor de ‘Wettelijke inlevering van publikaties in Nederland’. In de commissie zaten vertegenwoordigers van de KB, de andere bibliotheken, de uitgevers en boekhandelaren én ambtenaren van de ministeries van Onderwijs, Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk en Justitie.

De uitgevers en ‘de’ Brinkman
De commissie ging voortvarend van start en de geleverde argumentatie voor een depotwet leek onweerlegbaar. De KB was in deze tijd, begin jaren zeventig, zeer optimistisch over de kans van slagen van het Nederlandse dépôt légal, waardoor Nederland zich eindelijk ‘ook in dit opzicht bij de beschaafde volken zou scharen’, zoals Arie Willemsen het in een terugblik uitdrukte.

Het optimisme werd ook gevoed door de uitstekende samenwerking met de uitgevers van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB). Je zou kunnen verwachten dat de uitgevers zouden tegenstribbelen als ze een verplichting opgelegd zouden krijgen, maar zij waren (als alle ondernemers) juist erg voor duidelijke regels van de overheid, regels die voor iedereen hetzelfde waren.

Cornelis Reedijk aan een podium. Fotograaf: Robert Scheers.

De balie van de oude KB aan het Lange Voorhout in Den Haag.

Reedijk hamerde er halverwege de jaren zestig op dat de KB dringend ruimte en middelen moest krijgen om de nationale taken te kunnen vervullen. Bij zijn afscheid in 1986 vertelde hij in NRC dat de KB aan het begin van zijn bibliothecariaat allesbehalve goed functioneerde als nationale bewaarplaats van al het gedrukte erfgoed, hij liet opschrijven:

‘Aan de belangrijkste taak van deze nationale bibliotheek, het verzamelen van alles wat in en over Nederland verschijnt, hebben de bibliothecarissen - en dat zijn er tot dusverre (in 1986,red.) slechts acht geweest - zich nooit erg veel gelegen laten liggen. Hobbyisme vierde hoogtij. De een verzamelde het liefst incunabelen, de ander begon aan een alfabetische catalogus, weer een ander schafte wat moderne studiewerken aan, en allen keken uit de hoogte neer op die “fluttroep van de keukenmeidenromans” die men als het even kon afstootte naar de openbare leeszalen.’

De KB beheerde rond 1965 uiteraard wel uitzonderlijke en imponerende Bijzondere Collecties, en een zeer uitgebreide en internationaal georiënteerde Wetenschappelijke Collectie op elk denkbaar gebied van de geesteswetenschappen, maar het bewaren van elke nieuwe Nederlandse publicatie was als nationale taak een ondergeschoven kindje.

1970: oprichting studiecommissie
Reedijk en zijn adjunct-bibliothecaris, de historicus Arie Willemsen, gingen er werk van maken. Sommige landen hadden al eeuwen een wettelijk depot, maar Nederland was wereldwijd zo langzamerhand een grote uitzondering als land zonder enige fatsoenlijke regeling. Willemsen verhaalde later wel hoe Nederlandse afgevaardigden op internationale bibliotheekcongressen soms met de nek werden aangekeken, omdat ze een land ‘zonder depot’ vertegenwoordigden. Voor veel buitenlandse bibliothecarissen was dat verbijsterend.

Ook gaf koning Lodewijk de bibliotheek officieel het predicaat ‘Koninklijke’. Er werden echter in deze tijd wel boeken ingeleverd - gedeponeerd heet dat officieel - maar de handhaving van de wet hield niet altijd over, dus niet alle boeken kwamen binnen. Na de val van Napoleon in 1815, keerde het Oranjebewind terug in Nederland onder Willem I. In 1817 werd er weer een regeling opgesteld voor verplichte deponering, maar door zowel uitgevers en drukkers als de KB zelf, werd die ook toen weer niet altijd naar de letter nageleefd. De handhaving liet nog steeds te wensen over.

1881-1912: een nieuwe auteursrechtenwet
In 1881 kwam er met een nieuwe auteursrechtenwet; een stevige impuls voor een striktere vorm van deponering: het auteursrecht werd gekoppeld aan het inleveren van de exemplaren van de uitgaven. Om als uitgever de rechten van je uitgaven te claimen en te beschermen tegen illegale kopieën, moesten er exemplaren worden ingediend bij het ministerie van Justitie.

Een van die exemplaren werd overgebracht naar de KB. Dit betekende dat een fors deel van de boekproductie nu wél in de KB terechtkwam. Deze auteursrechtexemplaren zijn in de KB-collectie nog steeds te herkennen aan de verklaringen van uitgevers en drukkers op de titelpagina en de stempels en nummeringen van het ministerie. Veel van de uitgaven van de beroemde dichters van de Tachtigers, zoals de Mei van Gorter, zijn zo de KB binnengekomen.

1912: begin van een depotloos tijdperk
In 1912 werd de auteursrechtenwet vervangen. Auteursrecht en exemplaren werden losgekoppeld: vanaf 1912 ontstaat auteursrecht bij de creatie van een werk. Een uitgever hoefde daarom vanaf 1912 geen exemplaar meer te leveren om de rechten te claimen. Daarmee viel ook de verplichte deponeringsroute naar de KB weer stil.

Vanaf 1912 kende Nederland dus geen depotregeling meer. Dat had zijn gevolgen: wat de KB binnenkwam, werd vanaf toen geselecteerd en aangekocht door de specialisten. En elke selectie heeft zijn beperkingen: deze kan geleid worden door particuliere of tijdgebonden opvattingen of meningen, bijvoorbeeld wat goede boeken zijn en wat niet. Een depotregeling verbiedt dat juist: zo’n regeling is aselect en omvat in principe alles. Het depotloze tijdperk liep tot 1974 en dat heeft ertoe geleid dat veel boeken in de KB-collectie ontbraken of nog steeds ontbreken.

Na de oorlog: bibliothecaris Kees Reedijk ijvert voor Wettelijk Depot
Na de oorlog begon het gebrek aan een moderne depotregeling zich steeds meer te wreken. De aantallen uitgegeven publicaties stegen explosief en niemand had een goed overzicht van alles wat er in Nederland verscheen. De KB begon te ijveren voor de invoering van een Wettelijk Depot in Nederland. In de jaren zestig kwam dit streven naar een echt Nederlands depot in een stroomversnelling tijdens de periode van de Bibliothecaris, zoals de KB-directeur toen nog heette, Kees Reedijk (1962-1986).

Portret van Koning Lodewijk Napoleon door Charles Howard Hodges, 1809 (Collectie Rijksmuseum).

Het bewaren van alle uitgaven uit een land is de belangrijkste taak van bijna elke nationale bibliotheek in de wereld. Ook de KB heeft als nationale bibliotheek van Nederland deze taak. De bibliotheekterm voor deze bewaarfunctie is: het nationaal Depot. Dit jaar bestaat het Depot van Nederlandse Publicaties officieel 50 jaar! Dat is een heuglijk feit dat we moeten vieren, want het nationale depot is een belangrijk fundament voor de Nederlandse cultuur en samenleving.

Geschiedenis van het Nederlandse depot
De geschiedenis van het Nederlandse depot is opmerkelijk. Het is om te beginnen relatief jong. Veel andere landen hebben al veel langer een depotregeling, zoals het befaamde dépôt légal in Frankrijk, dat al sinds 1537 bestaat. Ook de KB kende in haar geschiedenis een aantal perioden met een soort depotregeling die je als voorlopers van de huidige kunt gezien.

Al bij oprichting van de KB in 1798, toen nog alleen ‘nationale bibliotheek’ geheten, was er sprake van dat zij alle boeken uit het land zou moeten verzamelen. Enkele jaren later verdween dat principe echter alweer uit het zicht en functioneerde de KB vooral als een vakbibliotheek voor de leden van het parlement in Den Haag. Toen de Fransen de boel overnamen in Nederland en wij een vazalstaat van Frankrijk werden onder koning Lodewijk Napoleon (broer van) in 1806, werd er een wet ingevoerd naar Frans model. Die eiste dat uitgevers exemplaren van hun publicaties naar de KB zouden sturen.

De KB heeft ruim 120 kilometer aan boeken, kranten en tijdschriften in het magazijn staan.

Hoe gaat de KB de komende jaren 120 kilometer boeken verhuizen?

Bibliotheekblad 7 • september 2024

Plaat met illustraties van sieraden die zijn gevlochten van mensenhaar. Het krukje met klosjes in het midden dient als hulpmiddel bij het vlechten. Plaat voor pagina 73. Penélopé, band II (1822-1823), KW 9195 G 20.

Titelpagina. Penélopé, band II (1822-1823), KW 9195 G 20.

Het depot vertegenwoordigt de norm dat niet door enkelingen of door elites van welke aard dan ook mag worden bepaald welke boeken belangrijk zijn om te bewaren en welke niet. Het depot vertegenwoordigt het principe dat alle boeken bewaard moeten worden. En hetzelfde geldt voor alle kranten en alle tijdschriften. En voor alle digitale publicaties gaat dat ook gelden, daarvoor coördineert de KB het e-depot. Dit e-depot bestond in 2022 twintig jaar.

Naschrift redactie: het toekomstige boekenmagazijn
De KB werkt aan een innovatief, nieuw boekenmagazijn waarin de nationale bibliotheek het geschreven erfgoed van Nederland duurzaam en veilig voor de toekomst kan bewaren. Het magazijn wordt gebouwd in de Harnaschpolder in de gemeente Midden-Delfland. De KB hoopt de erfgoedcollectie over enkele jaren naar het nieuwe magazijn te verhuizen. Meer informatie vind je op deze pagina van de KB. De KB heeft ook een YouTubeserie over de aankomende verhuizing. Bekijk hier aflevering 1 en aflevering 2.

En zij hadden ook een extra belang, want de uitgave van de aloude Brinkman’s Cumulatieve Catalogus van Boeken raakte in de jaren zeventig in het slop. Dat was de lijst van nieuwe boeken die de uitgevers samenstelden om de boekhandelaren te informeren, opgestart in de negentiende eeuw door Carel Leonard Brinkman. Tot in de jaren zeventig was dit een commerciële uitgave van uitgeverij Sijthoff, maar de uitgevers zagen graag dat de KB dit zou overnemen. Dit werd binnen de studiecommissie vlot geregeld. Uitgevers zouden hun nieuwe boeken niet meer opsturen naar Sijthoff, maar naar de KB waar ze zouden dienen als basis voor het nieuwe depot. En tevens werd ‘de’ Brinkman de basis voor de door de KB te verzorgen Nationale Bibliografie.

Oprichting bibliografisch centrum
Eendrachtig werkten KB en uitgevers samen. In afwachting van de wet werd in de KB in de jaren zeventig een bibliografisch centrum opgericht met een nieuwe KB-afdeling, die al spoedig zou heten ‘Afdeling Depot van Nederlandse Publikaties en Nederlandse Bibliografie’, in de wandelgangen vaak ‘de Brinkman’ genoemd. Een nieuw trefwoordensysteem werd opgetuigd voor de registratie van de nationale boekproductie. Dat systeem van de streng gecontroleerde Depot- of Brinkmantrefwoorden is nog steeds van kracht.

Ook werd een acquisitie-afdeling opgezet, want ook met een wet zou er door de KB nog flink wat speurwerk moeten worden verricht. Nog altijd wordt er gedacht dat boeken wel ‘automatisch’ naar de KB komen, maar het vergt heel veel mensenwerk. Reedijk en Willemsen hadden wel goed naar de negentiende eeuw gekeken en de haperende deponering toen. In de conceptwet die in het eindrapport van de studiecommissie was opgesteld, was ook voorzien in een artikel dat zou regelen dat de ‘KB-ambtenaren’ konden worden benoemd tot ‘beëdigd opsporingsambtenaar’. De ‘speurwerk’-afdeling van de KB zou dus direct zelf boeken mogen opeisen en boetes uitdelen als ze toch te maken kreeg met onwillige uitgevers.

Retrobeleid
Ook werd beleid voor 'retrospectief verzamelen' opgezet: het identificeren en aanvullen van lacunes in de collecties uit de depotloze periodes. De studiecommissie kwam gauw tot de conclusie dat je uitgevers niet kon verplichten uitgaven van decennia eerder alsnog verplicht te leveren, maar dat de KB daar zelf beleid voor moest ontwikkelen door middel van schenkingen en aankopen. Dit ‘retrobeleid’ is nog steeds van kracht en is in de laatste jaren zelfs geïntensiveerd in het kader van de actuele discussies over diversiteit en inclusie. Het retrobeleid repareert de bias in de selecties van de depotloze tijd.

1974: het vrijwillig depot
Ondanks alle optimisme bereikte het wetsvoorstel van de commissie de Tweede Kamer niet. De studiecommissie ontspoorde in een bureaucratisch labyrint, waarbij vooral de ambtenaren van Justitie dwarslagen. Het opeisen van een gratis exemplaar van boeken zou ‘onteigening’ zijn en tegen de Grondwet. Dat bleek niet het geval, maar eer dat was vastgesteld, waren er alweer jaren voorbij. KB en uitgevers wilden niet wachten op de stroperige ambtenarij en besloten zelf al van start te gaan. De KNUB verzocht de aangesloten uitgevers zelf aan de KB te gaan leveren en op 1 januari 1974 ging het zogeheten ‘vrijwillig depot’ van start. Van dit ‘vrijwillige depot’ vieren we nu het vijftigjarig bestaan, want deze regeling geldt tot op de dag van vandaag. In de jaren tachtig probeerden de KB en partners nog één keer om een wettelijk depot van de grond te krijgen met een uitgebreid en herzien rapport van de studiecommissie. Maar onder premier Lubbers werd definitief de stekker uit het wetsvoorstel getrokken. Eén van de redenen: het vrijwillig depot werkte goed. Het adagium werd: ‘If it ain’t broke, don’t fix it.’

Noodzaak van het depot
Arie Willemsen betreurde later wel eens de praktische daadkracht van de KB begin jaren zeventig, want door het succes van het vrijwillig depot bleef het wettelijke depot uit. Maar hoe dan ook is het vijftigjarig jubileum een heuglijk feit, want de noodzaak van een nationaal depot is onomstotelijk.

Beschrijving van ‘een gehekeld beursjes, au crochet, simple á jour’, detail van pagina 93. Penélopé, band II (1822-1823), KW 9195 G 20.

Plaat met illustraties van vijf beursjes, waarvan E en F gehaakt zijn. Plaat na pagina 72. Penélopé, band II (1822-1823), KW 9195 G 20.

Titelgravure met de mythologische Penelope. Penélopé, band II (1822-1823), KW 9195 G 20.

Voorkant van De diamant van den Radja.

Een belangrijk fundament voor de Nederlandse cultuur en samenleving

Het ‘Depot van Nederlandse Publicaties’ bestaat dit jaar officieel 50 jaar! In dit ‘depot’ bewaart de KB alle publicaties die in Nederland zijn uitgegeven. De geschiedenis van dit Nederlandse depot is een opmerkelijk verhaal.

Vijftig jaar Depot van Nederlandse Publicaties

TEKST: Arno Kuipers, collectiespecialist Nederlandse taal en letteren bij de KB. Het artikel kwam tot stand met medewerking van Gert-Jan van Velzen, collectiespecialist Depotcollectie. • Foto’s: KB Beeldstudio • Video: YouTubekanaal KB

TOPSTUKKEN van de kb